Krijsende Elektra in het slachthuis

Zelf zegt de Duitse regisseur David Bösch in zwijm te vallen als hij bloed ziet. Maar zijn extreme, soms weerzinwekkende enscenering van Richard Strauss’ Elektra (1909) moet de bloederigste ooit zijn. Het Grieks-mythische verhaal over wraak en weerwraak speelt in een slachthuis vol gevilde offerdieren. Elektra laat haar broer Orestes hun moeder Klytaimnestra en haar minnaar Aegisthos vermoorden omdat die na de Trojaanse oorlog hun vader Agamemnon doodden. De muren zijn besmeurd met bloed. Elektra grijpt in een emmer bloed en smeert dat op haar jurk. Bloed druipt overvloedig van de muren als er twee nieuwe lijken zijn.

Dat slachthuis was al te zien in de Elektra die Harry Kupfer in 1980 ensceneerde bij de Nederlandse Opera. Maar Bösch gaat bij de Vlaamse Opera in een co-productie met het Aalto Theater in Essen veel verder, niet alleen met al dat bloed. Hij herschrijft het libretto en laat Orestes na zijn moorden zelfmoord plegen. En de hysterische Elektra, die eerder al champagne dronk op de ‘goede’ afloop, laat hij aan het slot, waarin ze zich dood moet dansen, juist in leven. Zo kan ze zielstevreden blijven over haar volvoerde wraak.

Ook de muzikale en vocale uitvoering zijn op hun heftigst met een uitstekende, deels wisselende cast. Toch dirigeert Vladimir Jurowski met veel nuances. In de titelrol is de fameuze Iréne Theorin, die in Bayreuth Brünnhilde zong, een verbazingwekkend expressief krijsend fenomeen. Ausrine Stundyte zingt als Elektra’s zuster Chrysothemis veel hoog-dramatischer dan gebruikelijk.

Schrijnend hoogtepunt te midden van die gierende gekte: Elektra’s ene verstilde moment met haar moeder Klytaimnestra (Renée Morloc). Ze herkennen elkaar in hun perverse wraakzucht. Regisseur Bösch zegt zelf ook bezeten te zijn door gevoelens van wraak. „Ik droom ervan, al zal ik het nooit doen. Ik doe het op de scène.”