Ish-virus

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Ik kom je morgenochtend halen om 7 uur”, zegt mijn vriendin. De bedenkelijke blik op mijn horloge ontgaat haar niet. Rond die tijd is het spitsuur hier in huis.

„7-ish”, zegt ze dan.

Gelukkig, denk ik. Met die „ish” geeft ze me net de speling die ik nodig heb.

Woorden zijn soms te dwingend in hun betekenis, als een te krappe jas die geen bewegingsruimte biedt. Daarom proberen we ze vaak te verdunnen. Dit geldt vooral voor pubers, die zich sowieso opgesloten voelen in een te krap universum gebouwd door ouders en leraren.

Het vage taalgebruik van tieners geeft precies de wiggle room die ze zo hard nodig hebben. Denk aan het al aanwezige „zeg maar” en „of zo” in het Nederlands, of het „like” dat een Amerikaanse jongere minstens drie keer in iedere zin gebruikt. Als getrainde diplomaten creëren ze net genoeg ambiguïteit om verder te kunnen komen. Bij taal denken ze niet zo zeer aan spelling, maar eerder aan speling.

Daarom is ish zo’n fantastisch hulpmiddel. Je kunt het achter vrijwel ieder woord zetten. Een marinade is tomato-ish. Obama zegt dat hij meer green-ish energie wil. Een grap is funny-ish. Het einde van een film is happy-ish. Een man is tall-ish, zijn vriendin short-ish.

Het achtervoegsel ish verspreidt zich als een griepvirus door het Engels. Ook in ons gezin voelt ish zich helemaal thuis.

„Hoe is deze film?”, vraagt mijn dochter, terwijl ze in de bios staat, en naar een poster wijst.

„Lord of the Ring-ish”, antwoordt mijn zoon. „Niets voor jou.”

Maar het zijn niet alleen pubers die met het ish-virus besmet zijn. Posters kondigen hier een nieuwe televisieserie aan die de zender ABC deze herfst uitzendt, getiteld Black-ish. Het gaat over een Afrikaans-Amerikaanse familie in een witte middenklassebuurt, die zich niet gedraagt zoals een zwarte familie zich behoort te gedragen – volgens de clichés dan. Tot groot ongenoegen van de traditionele vader nemen de kinderen gewoonten over van hun blanke buurtgenoten, zoals de puberzoon die hockey speelt, Andy in plaats van André genoemd wil worden, en een bar mitswa wil geven als hij dertien wordt. Ze „verblanken” ten koste van hun Afrikaanse wortels. Een interessant cultureel fenomeen waar je lange essays over kunt schrijven, maar dat ook prachtig met het ene woord „black-ish” wordt samengevat.

Of neem entrepreneur Richard Branson die in het New York Times Magazine wordt gevraagd wat hij denkt van duikboottoerisme, een idee dat hij heeft onderzocht met zijn bedrijf Virgin Oceanic: „Het is gemakkelijk (easy) om een stuk metaal in de oceaan te gooien, de bodem te laten raken en weer boven te laten komen”, zegt hij. Om vervolgens „easy” te nuanceren tot „easy-ish”. Zo gemakkelijk is het nu ook weer niet om voor een vakantie naar de diepzeebodem te reizen.

Het ish-virus is zelfs de oceaan overgevlogen. In de eerste avond van het nieuwe seizoen hoorde ik Matthijs van Nieuwkerk over de nieuwe studio van Jeroen Pauw zeggen: „Een beetje nachtclub-ish.”

Intussen twijfelt mijn dochter nog steeds over de film. Zal ze nu wel of niet gaan?

„Vond jij hem eigenlijk leuk?”, informeert ze verder bij haar oudere broer.

Mijn zoon denkt even na. Hij houdt zijn hoofd scheef en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Dan geeft hij het perfecte antwoord: „Ish.”