Samen met z’n zoon, dat is heilig

Jack Spijkerman De tv-presentator is in zijn vrije tijd archivaris bij Ajax. Elke thuiswedstrijd zit hij op zijn vaste plek in de Arena, met zijn zoon.

Foto’s Fabian van der Poll

Beroering over een lap textiel op de burelen van Ajax: de officiële vaan is niet mooi. Jack Spijkerman heeft gehoord dat ingewijden het armoedig vinden, het aandenken dat de aanvoerder van Ajax weggeeft aan opponenten. En nee, dit is geen grap.

Vrijetijdsarchivaris Spijkerman vertelt erover op zijn vaste plek in de Amsterdam Arena, waar hij het duel tussen Ajax en Heracles aanschouwt met zijn zestienjarige zoon Joska. Het was prima dat een gast meeging, maar alleen op voorwaarde dat hij en Joska op hun vaste plekken zaten. Kom niet aan het uitje van een gescheiden vader en diens zoon. „Dat is heilig.”

Dat was wat hij van tevoren had gezegd. Nu gaat het over het erfgoed van Ajax, waarvoor Spijkerman zich inzet als ‘chef vaantjes en kaartjes’. Treffend voor zijn verhaal is het publiek rondom hem. In de vakken 102 en 103 zitten zo veel oudgedienden van Ajax dat dit deel van de hoofdtribune veel weg heeft van een levend antiquariaat. „Ik herken ze niet allemaal”, bekent Spijkerman. Zij hem wel, die grappenmaker van tv.

Zij zullen niet weten dat de voormalige presentator van Kopspijkers zich eens per week buigt over memorabilia uit hun tijd, namens het Erfgoedcomité van Ajax. Op zijn 65ste heeft hij daar de tijd voor. „Ik heb alle lades in de Arena opengetrokken. Er zitten kaartjes vanaf 1930 bij, sommige zonder datum. Voor de komende tien jaar heb ik werk.”

Vanuit deze rol raakte hij betrokken bij de vaan-kwestie. In het archief moest Spijkerman op zoek naar mooie exemplaren van andere clubs, opdat die als voorbeeld konden dienen. Ajax zou weer goed voor de dag komen, had directeur Michael Kinsbergen hem verzekerd.

Speciaal lidmaatschap van Ajax

Een half uur eerder begeeft Spijkerman zich in een zaal die alleen voor leden van Ajax is bestemd. Hier geen opzwepende beats, plastic bierglazen en luidruchtige fans, zoals in het honk voor ‘gewone’ supporters. Wel: wijn, colberts en opgedirkte spelersvrouwen uit vervlogen tijden.

Als hij net een slok van zijn bier wil nemen, duikt een man op die pretendeert hem goed te kennen. „Jack, we komen graag naar Koning Voetbal met een man of twintig”, zegt hij. Diens vrouw meldt even later hetzelfde. Spijkerman, die het quizprogramma presenteert, knikt en mompelt dat hij „zal kijken”. Als ze weg is: „Gelukkig ga ik niet over die kaarten. Anders zit heel de studio vol met Ajacieden.”

Deze bijna dagelijkse verzoeken zijn het gevolg van zijn bekendheid. En dan maakt Spijkerman ook nog eens een aaibare indruk met zijn spijkerbroek en gympen. Het prototype aardige buurman of gezellige oom. „Matthijs van Nieuwkerk schijnt niet meer naar het stadion te gaan. Die is het zat om herkend te worden.” Zelf haalt hij zijn schouders op. „De mensen weten inmiddels waar ik zit. Er wordt wel eens stiekem een foto genomen.”

Spijkerman is lid van verdienste bij Ajax, dat in totaal ongeveer 600 leden telt. Hij dankt zijn speciale lidmaatschap aan zijn bijdrage aan de musical bij het honderdjarig bestaan in 2000. Hij bedacht grappen en hielp met repeteren. Spijkerman ontving de uitnodiging op de dag dat Nederland de halve finale op het EK verloor van Italië. „Heel het land was in een rouwstemming, maar die brief maakte mijn dag goed.”

Hier komt het enthousiaste jongetje in hem naar boven. Vol ontzag kan hij praten over spelers van Ajax. Over wijlen Gerrie Mühren die na een uitzending van Kopspijkers zei dat hij trainer van Ajax moest worden. „Ik snapte wat hij bedoelde. Hij had van tevoren gezien hoe ik mijn team aanstuurde. Die cabaretiers waren leuker dan ik, maar ik liet ze gloriëren. Ik zou nooit een goede spits zijn. Eerder een buitenspeler met goede voorzetten.”

Tussen de ‘oude lullen’

Door zijn contacten bij Ajax mag Spijkerman af en toe naar het spelershome van Ajax, waar hij kan borrelen met de voetballers. Iets wat hij bewust sporadisch doet. „Anders wordt het te gewoon. Het moeten wel je helden blijven.” Ook de net doorgebroken Anwar El Ghazi of de nieuwe Pool Arek Milik? „Ja. Het zijn spelers van Ajax.”

Ondertussen heeft zoon Joska meer oog voor Vak 410, het sfeervak met de fanatieke fans. Hij wil straks daar zitten, en niet meer naast zijn vader tussen de „oude lullen” op de hoofdtribune. „Maar ik word geen hooligan, hoor”, verzekert hij. Zijn vader is dat ook niet. In relatief nette termen uit Spijkerman zijn onvrede over het spel van Ajax, dat met 2-1 wint. Tribunebuurvrouw Petra Pelsen: „Het is dat jij erbij bent, anders lusten de honden er geen brood van.” Ze knipoogt.