In hippe Goethe klinkt klassieke taal fris

Scène uit Torquato Tasso bij het Nationale Toneel Foto Kurt van der Elst

All Fonso heet zijn bedrijf, een grappige verwijzing naar xs4all. ‘Connect the world’, staat er op zijn logo. Dit is Goethes Torquato Tasso (1789) anno 2014, en weldoener Alfonso is geen hertog maar een hippe internetmiljonair.

Als het publiek binnenkomt zit zijn zus Leonore op de chesterfield kransen van laurierblad te vlechten. Ook weer zo’n geslaagde vertaling naar het nu, want onwaarschijnlijk is het niet. Sallie Harmsen maakt er een creatief soort bezigheidstherapie van, een beetje zoals jonge hipsters anno nu ook breien. De kransen worden door haar vriendin Eleonore Sanvitale (Hannah Hoekstra) met een spuitbus goud gespoten, terwijl ze met haar heupen wiegt op de klanken van Simian, MGMT en Prince.

Bram Suijker als Alfonso komt meertalig conference-call bellend op, in joggingpak en op sneakers. Zes schilderijen van ‘Basqat’ heeft hij al – ‘Bas-qui-at’ corrigeren de meisjes – en een installatie van Calder. Elk moment hoopt hij daar een meesterwerk van Torquato Tasso aan toe te voegen, de dichter die hij ontdekte en onder zijn hoede nam. En daar duikt hij al op, Tasso (Joris Smit): aarzelend, mensenschuw, gekweld. Hij schenkt Alfonso zijn epos Jeruzalem Bevrijd, hoewel het voor zijn gevoel nog onvoltooid is. Maar Tasso weet dat hij in ruil voor zijn onderhoud uiteindelijk moet leveren. Gaandeweg het stuk komt hij echter tegen die overeenkomst in opstand.

Goethe noemde zijn stuk, gebaseerd op het levensverhaal van de zestiende-eeuwse dichter, zelf ‘theaterschuw’, veel taal, weinig handeling. Zo’n stuk opvoeren in deze snelle, beeldgerichte tijd is een statement, en niet zonder risico – te meer daar het Nationale Toneel het complexe taalbouwwerk grotendeels intact laat. Vertaler Tom Kleijn heeft het weliswaar bekort, maar nergens is getracht het geforceerd te actualiseren. Daar moeten de jonge, soms nog tamelijk onervaren acteurs een flinke kluif aan hebben gehad. Regisseur Theu Boermans stuurt bovendien dus bewust aan op een botsing, of een verzoening, van eigentijdse enscenering en klassieke taal. Dat is gewaagd en moedig.

En zijn acteurs slagen met glans. Gretig zetten ze hun tanden in de overdadige en vaak plechtstatige taal, en maken die luchtig, transparant en fris. Hoekstra als de oversekste Eleonore geeft de jamben een stoere, cynische bite, bij de neerslachtige Leonore, zielsverwant van Tasso, mogen ze vertwijfeld-romantisch klinken en Justus van Dillen als secretaris Antonio (een vlotte realpolitiker in strak pak) vond steile ironie als ingang. Ronduit hilarisch is de Alfonso van Suijker, die zijn tekst nog eens aankleedt met holle ondernemerspraat in Engels, Italiaans en zelfs Japans: Moshi Moshi!

Torquato Tasso is in de opvoeringgeschiedenis vaak geïnterpreteerd als oproep aan de kunstenaar tot verzet tegen de heersende macht. Maar voor Goethe, en ook voor Boermans nu, was het veeleer de reflectie van een worsteling. Hoe vrij is de kunstenaar? Hoe verhoudt hij zich tot de wereld om hem heen; toen het mecenaat, nu politici en subsidiënten? Kan hij vrij zijn en compromisloos, of moet hij concessies doen en praktisch zijn?

Goethe geeft geen eenduidig antwoord. Ja, Tasso vecht zich vrij, maar tot zijn eigen diepe ellende. In de visie van Boermans balanceert de Tasso van Joris Smit vervaarlijk op het randje van irritant. Het maakt zijn personage ongrijpbaar en intrigerend. Dit is zeker geen heiligverklaring van de kunstenaar. Wel van zijn werk, zoals de lichtspot op Tasso’s epos aan het einde duidelijk maakt. Een wijs en waardig slotakkoord: de kunst, daar gaat het om.