Hij houdt lezers gevangen en knipoogt naar ze

The Bone Clocks van David Mitchell is fantastisch, in alle betekenissen van dat woord. In zijn mozaïekroman laat hij je kiezen tussen goed en kwaad. Recensente Ellen de Bruin is betoverd.

Boekcover van The Bone Clocks

De grootste verrassing op de vorige week geopenbaarde shortlist van de Booker Prize was dat David Mitchell (55) er niet bij zat. In de eerste plaats is dat verrassend op grond van Mitchells reputatie: de Britse auteur heeft inmiddels zes goed ontvangen romans geschreven, waaronder Cloud Atlas (2004), in 2012 verfilmd met Tom Hanks en Halle Berry in de hoofdrollen. In 2007 stond Mitchell in de Time-lijst van invloedrijkste mensen ter wereld omdat hij de roman opnieuw zou hebben uitgevonden. Hij is geliefd bij recensenten én het grote publiek.

Maar het passeren van Mitchells nieuwe roman The Bone Clocks is nog veel verrassender voor wie het boek gelezen heeft.

Zelf had hij wel verwacht dat hij de prijs dit jaar weer zou mislopen. Hij speelt daar in elk geval mee in The Bone Clocks, dat precies een week voor de bekendmaking van de Booker-shortlist is verschenen. Zoals hij in die roman meer dan ooit met alles speelt: met taal, met vertelstructuur, met het hele universum waaruit fictie bestaat. Ook met zijn lezers, die hij betovert en gevangen houdt met zijn verhalen, terwijl hij tegelijkertijd naar hen knipoogt: kijk toch eens in wat voor wondere wereld we samen zitten, is het niet fantastisch? En The Bone Clocks is fantastisch, in alle betekenissen van dat woord.

Het is een reïncarnatie

Het is weer een mozaïekroman, net als Cloud Atlas en Mitchells debuut Ghost-written (1999): die beide boeken zijn bundels lange verhalen, met elkaar verbonden door subtiele verwijzingen naar zielsverhuizing en reïncarnatie. The Bone Clocks bestaat uit zes van zulke met elkaar verbonden verhalen, elk vanuit een ander gezichtspunt verteld. In 1984 zien we hoe de 15-jarige Holly Sykes van huis wegloopt, in 1991 hoe corpsbal Hugo Lamb haar probeert te versieren. In 2004 bekijken we Holly door de ogen van haar man Ed Brubeck, oorlogsverslaggever. In 2015 ontmoet auteur Crispin Hershey Holly, in 2025 zoekt haar oude dokter Marinus haar op, en in 2043 zijn we terug in Holly’s hoofd.

Ongeveer in het heden is er dus die auteur Crispin Hershey. Zo wordt hij op een literair festival aangekondigd: ‘Our most lusted-after gong, the Brittan Prize, has – scandalously – eluded his grasp so far’, en in je achterhoofd hoor je David Mitchell zachtjes grinniken. Hershey leest een passage uit zijn nieuwe roman, een passage die in een pub speelt en die, ‘hardop uitgesproken, in Audenesque rijm ontbloeit’ – en je weet dat je precies zo’n passage in The Bone Clocks gelezen hebt, 178 bladzijden eerder.

Niet dat Crispin Hershey David Mitchell ‘is’. Hershey is eerder de man die een succesvolle 45-jarige schrijver kan vrezen te worden. Een zelfingenomen, verbitterde vrouwenhater. Iemand die de keuze krijgt tussen goed en kwaad en dan het verkeerde kiest, omdat hij zijn egoïstische drang naar onsterfelijkheid boven het moreel goede stelt (precies waar The Bone Clocks over gaat). Ook de kritiek die Hersheys nieuwe roman krijgt, is precies de kritiek waar Mitchell bang voor zou kunnen zijn. Uit de recensie die het boek vloert: ‘Eén: Hershey is zo gedreven om clichés te vermijden dat elke zin zo gemarteld is als een Amerikaanse klokkenluider. Twee: het fantasy-subplot botst zo heftig met de Toestand van de Wereld-pretenties van het boek dat ik het niet aan kan zien. Drie: is er een duidelijker teken dat de creatieve aquifers droog staan dan een schrijver die een schrijver-personage creëert?’

Pretentieus? Nee, prachtig!

Ja, Mitchell gebruikt woorden als gong en aquifer, waar hij ook prize en well zou kunnen gebruiken, en ja, je kunt dat geforceerd vinden, of pretentieus. Ik vind het prachtig. Omdat Mitchell een beetje stottert (lees zijn semi-autobiografische coming-of-age-roman Black Swan Green, uit 2006), is hij gewend om te zoeken naar synoniemen waar zijn stem niet op stokt. Het heeft zijn taal extra aan het zingen gebracht.

En ja, The Bone Clocks heeft een fantasy-subplot. En dat is niet subtiel. Bij een strijd tussen de goede en de slechte onsterfelijken vindt zoiets als ‘transubstantiatie’ plaats, zielen zoeken asiel, andere zielen worden ‘gedecanteerd’, mensen worden met geesteskracht rondgeslingerd. Dat heeft iets potsierlijks; ik houd er niet bijzonder van, of het moet, als bij Harry Potter, al vanaf bladzij één in het contract met de lezer geschreven staan. Dat is hier niet zo. Vijf van de zes verhalen zijn maar voor een klein deel fantasy; slechts één verhaal bevat overwegend bovennatuurlijkheden. Gelukkig maar, zou je kunnen denken. Maar, zoals Crispin Hershey van zijn literair agent te horen krijgt: ‘Een boek kan net zo min half-fantasy zijn als een vrouw halfzwanger.’

Hij speelt graag met onsterfelijkheid

Wat moet ik met die fantasy? Het antwoord daarop staat gewoon in het boek zelf: laat het toe, gun het Mitchell. The Bone Clocks is, zegt Mitchell, zijn midlifecrisisboek. Vandaar die nadruk op onsterfelijkheid, vandaar die schrijver in het midden, Crispin Hershey, ook al heeft Mitchell weleens gezegd dat schrijven over schrijvers niet altijd goed werkt (Hershey noemde het ‘incestueus’, voor hij het zelf ging doen). En David Mitchell gelooft niet écht in reïncarnatie, zielsverhuizing en onsterfelijkheid, weten we uit interviews. Hij speelt er alleen graag mee. Dat deed hij zelfs in zijn zogenaamd conventionele historische roman The Thousand Autumns of Jacob de Zoet (2010).

Maar Mitchell gelooft wél in de parallelle werkelijkheid die fictie is. Hij ziet zijn hele oeuvre als één ‘metaboek’ – vandaar dat dezelfde personages uit zijn boeken zo vaak in zijn verschillende boeken opduiken. We kenden dokter Marinus, die in The Bone Clocks een ‘metaleven’ leidt, bijvoorbeeld al uit The Thousand Autumns of Jacob de Zoet. Ook De Zoet zelf, de Hollandse klerk op laat 18de-eeuws Deshima, wordt nog even genoemd, en de maangrijze kat die in Mitchells romans vaak voorkomt, keert eveneens terug. Mitchell vindt de waarheid van fictie, van verbeeldingskracht, duidelijk méér waard dan de werkelijkheid zoals een oorlogsverslaggever die laat zien.

Dan kun je Mitchells fantasywereld wel afwijzen, maar de rest van wat hij schrijft is natuurlijk óók allemaal verzonnen. Moet je dat dus ook afwijzen? Ik begin er niet aan.

David Mitchell vraagt asiel in mijn hoofd; hij kan het krijgen.