Column

Familieberaad

We zaten en petite famille bij elkaar omdat kleindochter Fay net haar zwemdiploma A had behaald. Op haar verzoek hadden haar vader en ik ons voor deze feestelijkheid getooid met een stropdas, „want dat staat zo mooi”. Ik was nog net niet verleerd hoe zo’n ding te strikken. Helaas viel mijn stropdas bij haar moeder (tevens mijn dochter) in ongenade: „Te veel vorige eeuw”. Zolang ze het alleen van je stropdas zeggen, mag je niet klagen.

Toen we in onze conversatie uitgezwommen waren, begon ik over het artikel dat Diederik Samsom die dag in NRC Handelsblad gepubliceerd had onder de kop „Voor velen is de crisis niet voorbij”. Ik citeerde: „Juist in onzekere tijden moeten we de verplichting waarmaken om mensen de zekerheid te bieden dat ze de zorg krijgen die ze nodig hebben. De PvdA zal het kabinet blijven houden aan dat uitgangspunt.”

„Ze beginnen ’m bij de PvdA te knijpen”, commentarieerde ik nogal grofstoffelijk, zonder naar mijn vrouw te kijken, al moet zij nog steeds als een van de aanhankelijkste leden van deze partij worden beschouwd. Ze nam de handschoen meteen op met een kordaat: „Hoezo?”

„Jullie dalen steeds verder in de peilingen door die bezuinigingen in de zorg”, constateerde ik.

„Diederik begint op dit punt eindelijk wat tegengas aan het kabinet te geven, waardeer dat nou eens”, zei ze.

Er dreigde de zoveelste politiek geladen discussie tussen de echtgenoten te ontstaan, maar mijn dochter greep – al of niet bewust – met een onverwachte interruptie in. „Je weet toch zeker wel dat jullie je persoonlijk geen zorgen hoeven te maken? Wij kunnen jullie hier altijd opvangen als jullie het moeilijk krijgen.”

Ze maakte een gebaar in de richting van de tuin, waar zich achter een grasperk een flinke garage verhief. „Die zouden we kunnen verbouwen. We pakken er een metertje tuin bij, dan hebben jullie beneden ruimte genoeg.” „Er is al een vide, zodat we met een trapje of liftje omhoog kunnen”, hapte mijn vrouw. „Goed idee”, viel mijn schoonzoon bij.

„Je wilt toch wel?” vroeg mijn dochter die iets gereserveerds in mijn houding moet hebben bespeurd. „Zorg dichtbij de mensen”, zei ik ironisch, „zo noemen ze dat bij de PvdA. Goed bedoeld, maar het lost de échte problemen niet op. Van mantelzorgers mag je niet verwachten dat ze hun dementerende ouders de hele dag in de gaten houden. Ze hebben er de tijd niet voor en ze missen de deskundigheid.”

Bovendien leek het me bezwaarlijk dat, zoals in ons geval, vooral één kind voor zijn ouders zou zorgen. Maar daar bleek een mouw aan te passen. Mijn vrouw voelde veel voor de suggestie van een vroegere buurjongen, inmiddels een hoogst volwassen man met een goed ontwikkeld gevoel voor humor. Hij deelt te zijner tijd met twee oudere zussen de zorg voor zijn moeder. Het leek hem een goed idee om tegen die tijd een caravan aan te schaffen, waarin ma kan wonen en waarmee ze elke drie maanden naar een ander kind kan worden vervoerd. Alles wat je dan nog nodig hebt is een goede trekhaak en een plekje in je tuin.

Het leek mij vooral een nuttig idee omdat je met zo’n snelle verhuizing de onvermijdelijke ergernissen en spanningen de kop kunt indrukken. „Want vergeet niet dat je als kind plotseling een grote hekel aan je ouders kunt krijgen”, waarschuwde ik mijn dochter.

Ze sprak het niet eens tegen, erg genoeg.