Een grachtenpand gebouwd van geprinte dropslierten

In Amsterdam maakt een 3D- printer kamer voor kamer een huis. „De metselaar van de toekomst is een monteur.”

De toekomst ziet eruit als een dropjojo. Als dunne zwarte slierten die in laagjes op elkaar zijn gestapeld tot een groot, geribbeld object. „Dit is een hoek van de entreekamer”, legt architect Hedwig Heinsman uit. Het is de eerste ‘steen’ van wat het eerste geprinte grachtenpand ter wereld moet worden.

Op het oude Shell-terrein in Amsterdam werkt het architectenbureau DUS samen met onder meer bouwbedrijf Heijmans aan het experiment. In 2017 moet er een vijftien meter hoog huis staan met dertien kamers en een kubistisch gevelornament, gemaakt van recyclebaar bioplastic.

Het ontwerp gaat via een USB-stick naar een computer die er ruimtelijke bestanden van maakt. Hiermee wordt het huis laagje voor laagje uitgespuugd door de KamerMaker, een driedimensionale printer in een rechtopstaande zeecontainer.

Vandaag experimenteert de KamerMaker met een overhellende vorm, denk aan een reuzefruitschaal, en dat lukt aardig. Uiteindelijk zullen de bobbelige printfoutjes en ribbels verdwijnen en zullen grote printers strakke wanden maken, denkt Heinsman.

Het grachtenpand is een experiment en wordt eerder een expositieruimte dan een woonhuis. Maar in China worden al simpele bungalows geprint van afvalmateriaal en cement voor nog geen 4.000 euro per stuk.

Stel dat we in de toekomst wonen in geprinte wijken en werken in geprinte kantoren. Wat betekent dat voor architecten, calculatoren en tekenaars? Voor aannemers en hun toeleveranciers? Voor timmermannen, loodgieters, elektriciens en natuurlijk metselaars? En wat betekent het voor het transport, de hypotheekmarkt?

„De werkgelegenheid in de bouw zal in de toekomst langzaam dalen”, zegt Alma Krug, manager innovaties en marketing van Heijmans. „Maar er komt ook een verschuiving van banen naar de IT-sector en er ontstaan nieuwe beroepen. De metselaar van de toekomst is misschien een monteur die een huis opbouwt met geprinte onderdelen. Er zijn trouwens nu al metselrobots. Zo’n 3D-printer moet natuurlijk aangestuurd en onderhouden worden. De grondstoffen voor bioplastic, bijvoorbeeld olifantsgras, moeten verbouwd, verwerkt, verhandeld en vervoerd worden. We zullen ook minder fouten gaan maken in de bouw – de ‘faalkosten’ zijn nog altijd een grote kostenpost voor de sector.”

„De bouw met staal, beton en hout zal niet helemaal verdwijnen”, denkt Heinsman. „Misschien komt er een combinatie met geprinte onderdelen. Ik kan me voorstellen dat de skeletbouw van wolkenkrabbers van staal en beton blijft. Dan kunnen traditionele beroepen in de bouw ook blijven bestaan.”