Een blij geitje. Of niet?

De sterke bezetting en het sprankelende spel, dat waren de grootste attracties van Erik Whiens Who’s afraid of Virginia Woolf. De twee nominaties voor de acteursprijzen waren dan ook logisch (het hadden er vier mogen zijn) en ze zijn ook nog eens beide verzilverd: Kirsten Mulder krijgt de Colombina voor beste vrouwelijke bijdragende rol voor haar geestige, gevoelvolle en verrassend gelaagde Honey.

Mulder (1973) is vaker de ideale komische sidekick. Dan zet ze haar kleine, huppelige gestalte in, met dat springerige piekhaar, het grappige dopneusje, haar hese, geknepen stemgeluid en die verwarde, ‘ik-weet-het-allemaal-ook-niet’-blik. Maar Mulder was naast malle robbedoes en vrolijke spring-in-’t-veld ook een overtuigende, wellustige hofdame (De Misantroop bij Oostpool) of een koppige weduwe (Tsjechov, idem). Maar haar spel bevindt zich doorgaans wel vooral in het komische register. Niks mis mee, trouwens.

Het mooie aan de rol van Honey is dat Mulder hier een extra laag aanboort. Haar Honey is komische sidekick, zeker; ze maakt ruimte voor lucht en lach tijdens het verbale spervuur van Derwig en Kraakman. Maar ze is, anders dan in eerdere interpretaties, een ronder en vollediger personage. Onnozel, in haar witte rokje, tuttige truitje en met die kinderlijke haarspeldjes. Naïef adoreert ze haar stoere man Nick, en hinnikt ademloos om elk grapje. Hoe hard het samenzijn die drankovergoten nacht ook wordt, Mulders Honey blijft quasi-opgewekt, en dat maakt haar tegelijk diep tragisch. Honeys ongegeneerde dansje op Beethovens Zevende Symfonie – een hoogtepunt in de voorstelling – is in al zijn onhandigheid hilarisch, maar verbeeldt tegelijkertijd, onbedoeld wellicht, haar peilloze verdriet en haar eenzaamheid. Tijdens die scène kan het gebeuren dat de lach die je net nog voelde kriebelen, opeens een brok in je keel wordt. Wat een gierende uithaal leek te worden, eindigt in een stille snik.

Magisch, hoe Mulder die volstrekt tegenstrijdige emoties vrijwel gelijktijdig weet aan te boren.

Tegen die tijd is het vermoeden van een duisterder randje aan Honey al onmiskenbaar. Heeft dit blije geitje niet stiekem veel meer door dan ze laat merken? Is haar naïviteit een schild? Aan het eind van de oorlogsnacht lijkt zij van iedereen in elk geval het minst gehavend. Misschien rest haar als enige nog wel een kansje op geluk. Dat ze dat geluk bereikt dankzij haar onnozelheid, neemt zij wijselijk op de koop toe.

Zo viert de Honey van Mulder hier een verrassende, stiekeme triomf.