Aangifte tegen Opstelten inzake Demmink

Minister zou nalatig zijn geweest omdat hij beschuldigingen van seksueel misbruik jegens zijn topambtenaar niet gedegen heeft laten onderzoeken

Zes oud-directeuren van justitiële inrichtingen hebben bij de politie aangifte gedaan tegen minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD). Volgens hen heeft de bewindsman een ambtsmisdrijf gepleegd omdat hij nalatig zou hebben gehandeld inzake beschuldigingen van pedofilie aan het adres van zijn voormalige hoogste ambtenaar Joris Demmink.

In de aangifte – ook verstuurd naar de Tweede Kamer en de procureur-generaal bij de Hoge Raad – staat dat Opstelten schuldig is aan „het vertragen in plaats van voortvarend afhandelen van aangiften tegen Demmink”.

Demmink was van 2002 tot zijn pensioen in 2012 secretaris-generaal op Justitie. In die jaren doken steeds beschuldigingen op van seksueel misbruik van minderjarige jongens door Demmink.

Opstelten wordt er door de zes mannen van beschuldigd het Openbaar Ministerie „op een ontoelaatbare manier te beïnvloeden en een juiste uitvoering van de wet te frustreren”. Ze vragen de Kamercommissie voor Verzoekschriften en Burgerinitiatieven de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdracht te geven Opstelten strafrechtelijk te vervolgen.

Twee van de zes aangevers, Bart Molenkamp en Jacques van Huet, hebben dit jaar bij civiele verhoren voor de rechtbank in Utrecht onder ede verklaringen afgelegd over pedofiliebeschuldigingen ten aanzien van Demmink. In die verhoren bleek ook dat een eerder, geheim onderzoek naar pedofilie van hooggeplaatste justitiefunctionarissen – het zogeheten Rolodex-onderzoek – in de jaren negentig was mislukt doordat het uitlekte.

De ondertekenaars van de aangifte zijn kwaad dat Opstelten na de verhoren in Utrecht in april over de zaak Demmink verklaarde: „Het was niks, het is niks en het zal niks worden.” Met deze en andere uitspraken frustreerde Opstelten, zo staat in de aangifte, de tenuitvoerlegging van de wet of internationaal bindende verdragen. „Nederland ondertekende in 2007 het Verdrag van Lanzarote waarin is bepaald dat strafrechtelijke onderzoeken en procedures betreffende seksueel kindermisbruik prioriteit moeten krijgen en zonder onnodige vertraging door de lidstaten dienen te worden uitgevoerd.”

Door geen gedegen onderzoek naar de zaak Demmink te gelasten, zet Opstelten volgens de aangevers de integriteit van de strafrechtspleging op het spel. „Wanneer de minister hier geen verantwoordelijkheid neemt en, erger, de boodschappers van het plaatsgevonden kwaad en public laat weten dat er niets aan de hand ‘was en is’, frustreert hij intentioneel de uitvoering van de wetten die aan zijn ministerie zijn opgedragen.”

De andere vier aangevers zijn Kees Boeij, Klaas de Graaff, Jos Poelmann en Peter Scheffelaar Klots. „Er zijn zes aangevers, maar het hadden er dertig kunnen zijn”, zegt Molenkamp om de omvang van de verontwaardiging onder justitiemedewerkers te schetsen.