Vijf manieren om ons belastingstelsel te veranderen

Seamless Square Escher Pattern Background

Het Nederlandse belastingstelsel stamt uit 2001. Sindsdien is er zoveel aan ‘geknutseld’ met regelingen, uitzonderingen, en vrijstellingen dat het tijd is voor een grote schoonmaak. Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën komt naar verwachting op Prinsjesdag, komende dinsdag, met een ruwe schets van stappen voor de lange termijn. NRC Q vraagt alvast aan vier experts: hoe ziet het ideale belastingstelsel eruit?

1. Btw-tarieven aanpassen

Over één ding zijn de vier het eens. Harmoniseer de huidige twee btw-tarieven (6 en 21 procent) en schaf vrijstellingen af. Het systeem zoals het nu is, leidt tot verstoring van consumptiegedrag, werkt fraude in de hand en is ingewikkeld. Voorbeeld: konijnenvoer valt onder het lage tarief, caviavoer onder het hoge. Er zou één btw-tarief moeten komen: rond de 15 procent.

Het CPB heeft onlangs vastgesteld – voormalig hoogleraar fiscale economie Sijbren Cnossen rekende mee – dat een uniformering van de btw tot “aanzienlijke welvaartswinst” kan leiden, met name voor het midden- en kleinbedrijf. Daarnaast zullen de uitvoeringskosten bij het ministerie van Financiën van de huidige complexe btw-wetgeving met zeker 100 miljoen euro kunnen dalen.

Maar politiek ligt een stelsel waarbij het lage btw-tarief flink omhoog gaat, gevoelig. Dus, zegt ‘advocaat-belastingkundige’ en voormalig Eerste Kamerlid Willem Stevens: “Je kunt dat alleen in een alomvattend pakket aan belastinghervormingen doen, in samenhang dus met de inkomstenbelasting. Die zal omlaag moeten, om geen verlies in koopkracht te krijgen.”

2. Inkomstenbelasting: wel of geen vlaktaks?

Stevens is voorstander van een vlaktaks: één bescheiden tarief voor een hele grote groep belastingplichtigen. Hij denkt aan 36 procent voor de inkomens tot 67.500 euro. “Daarmee heb je 90 procent van alle belastingplichtigen te pakken.” Voor werknemers in loondienst kan de inkomstenbelasting dan grotendeels of geheel door de werkgevers worden ingehouden, via een loonsomheffing. Daardoor wordt de uitvoering eenvoudiger en goedkoper. De kleine groep met hogere inkomens moet volgens Stevens 49 procent inkomstenbelasting betalen.

Onder de deskundigen staat Stevens met zijn tweeschijvenstructuur alleen. Cnossen is wel voor een andere indeling van schijven, waardoor hij ook nagenoeg op een vlaktaks uitkomt. Zijn voorstel: een lange eerste schijf, tot een inkomen van een ton, waar een tarief van 40 procent geldt, vervolgens een 50-procentsheffing voor inkomens tot iets meer dan twee ton. En voor wie boven de Balkenendenorm zit een heffing van 60 procent.

Hoogleraar internationaal belastingrecht Stef van Weeghel en hoogleraar economie en overheidsfinanciën Bas Jacobs zijn tegen een vlaktaks. Volgens Jacobs hebben de optimale marginale belastingtarieven – het tarief over de laatste verdiende euro – een U-vorm: hoog aan de onderkant, aflopend naar de middengroepen en vervolgens weer oplopend naar de topinkomens. Dan betalen de lage inkomensgroepen gemiddeld minder belasting en de middengroepen meer. Hogere toptarieven zijn volgens hem niet goed, want die leveren geen extra belastingopbrengst, maar wel grotere economische schade.

Voor Van Weeghel moet de maximale druk 40 procent bedragen, inclusief de aftrekposten voor hypotheekleningen en ondernemers. En ook voor de snel groeiende groep zzp’ers moet de belastingdruk maximaal 40 procent bedragen. Die profiteren nu in zijn ogen van allerlei onterechte ondernemersvoordelen.
Hervorming van de inkomstenbelasting moeten kunnen leiden tot een vurige ambitie van het kabinet: de kosten van arbeid omlaag brengen. Dat schept banen.

3. Winstbelasting is schadelijk

Hoe rechtvaardig het ook klinkt – bedrijven dragen een deel van hun winsten af aan de schatkist – volgens de kenners is de vennootschapsbelasting (vpb) “inefficiënt” en “schadelijk”. Grote multinationals betalen samen met de grotere MKB- bedrijven - die meer dan 2 ton winst maken en daarover 25 procent belasting betalen) – het gros van de 13 miljard per jaar. Een aanzienlijk deel van het bedrijfsleven maakt minder dan 2 ton winst en betaalt daarover 20 procent belasting.

Het paradoxale is dat als je het tarief voor grotere ondernemingen verhoogt, dat slecht is voor het investeringsklimaat. Dan jaag je ze over de grens. Van Weeghel stelt daarom “een degressief tarief” voor: hoe hoger de winst, hoe minder belasting een bedrijf hoeft te betalen.

“Dat maakt Nederland enorm concurrerend, zonder dat het veel kost. Het levert de schatkist mogelijk juist geld op.”

Daar heeft Jacobs grote moeite mee. In plaats van de belastingconcurrentie “op te poken”, vindt hij dat Nederland voorloper zou moeten zijn in het internationaal coördineren van belastingbeleid.

“Met internationale fiscale concurrentie doe je niets anders dan elkaars belastinginkomsten en bedrijvigheid afpakken. Uiteenlopende tarieven verstoren bovendien allerlei economische beslissingen van bedrijven en belonen fiscaal constructiewerk. Dat is op de lange termijn schadelijk voor alle economieën.”

Alle vier ergeren zich aan een weeffout in het belastingstelsel voor bedrijven. De kosten van vreemd vermogen – rente – zijn aftrekbaar, de kosten van eigen vermogen – in de vorm van dividenduitkeringen als vergoeding van aandeelhouderskapitaal – niet. Dat geeft bedrijven een verkeerde, fiscale prikkel om schulden aan te gaan. Daardoor kunnen volgens Jacobs “economieën financieel fragiel worden” – zie de kredietcrisis van de voorbije jaren. Zolang niet alle kosten van vermogen – vreemd én eigen vermogen – aftrekbaar zijn nemen bovendien bedrijfsinvesteringen af en dus ook werkgelegenheid.”

4. Belasting op kapitaal veranderen

Het grootste bezwaar van het huidige stelsel zit hem voor Bas Jacobs in het “hybride systeem” van kapitaalbelasting, “internationaal gezien een curiosum”. In Nederland wordt in box 3 (gericht op vermogen uit spaargeld en beleggingen) geen inkomen uit kapitaal belast, niet uit rente, dividend of andere vermogenswinst en evenmin uit vermogensbestanddelen als eigen huis en pensioen.

In box 3 bestaat wel een vermogensbelasting, waarbij de fiscus niet uitgaat van het werkelijk behaalde rendement, maar van een fictief rendement van 4 procent. Er bestaat echter geen vermogensaanwasbelasting of vermogenswinstbelasting.
Inkomen uit aandelenkapitaal van ondernemers wordt, in de daarvoor bedoelde box 2, wel belast. Erfenissen worden slechts voor een deel belast. Dat alles vindt Jacobs onterecht.

Sinds de ideeën van de Franse econoom Thomas Piketty over de ongelijke verdeling van welvaart in de Westerse wereld dit jaar ook tot Nederland doordrongen, is de vraag actueel: moeten we grote vermogens niet zwaarder belasten? Ook zonder Piketty vindt Jacobs van wel, om de economische schade van belastingheffing te minimaliseren, ongeacht politieke opvattingen over rechtvaardigheid. Herverdeling wordt volgens hem “doelmatiger” omdat hogere inkomensgroepen in het algemeen meer sparen en erven, hogere rendementen realiseren en bv’s opzetten, om (hogere) inkomstenbelasting te omzeilen.

Bovendien, zegt Jacobs, zal de economische schade van de belasting op arbeid verminderen, want heffingen op kapitaalinkomen moedigen mensen aan om meer en langer door te werken, maken investeringen in “menselijk kapitaal” aantrekkelijker en “fiscaal constructiewerk met bv’s” zal worden ontmoedigd. Jacobs vindt, en de andere drie met hem, dat vermogensrendement moet worden belast op basis van het werkelijk behaalde rendement en niet zoals nu het geval is op basis van het vaste fictieve rendement van 4 procent.

Nederland moet volgens Cnossen, net als andere Westerse landen, een zogeheten duale inkomstenbelasting krijgen. Dat wil zeggen: inkomen uit arbeid en inkomen uit kapitaal gescheiden belasten. Omdat kapitaal vluchtig is, kun je geen gedifferentieerd, steeds hoger oplopend tarief hanteren – dan vluchten grote vermogens naar het buitenland – maar zou een vast tarief van maximaal 25 procent moeten gelden. Ook volgens Van Weeghel zou dit systeem het rechtvaardigheidsgevoel van alle belastingbetalers versterken, een belangrijk kenmerk van een goed belastingstelsel.

5. Box 2 voor ondernemers aanpassen?

Ten behoeve van datzelfde rechtvaardigheidsgevoel, vindt econoom Cnossen dat de voor ondernemers bedoelde box 2 beter maar kan worden afgeschaft. Die box is volgens Cnossen “een ernstige vorm van fiscale discriminatie” want alleen “erg aantrekkelijk voor dga’s”; dat zijn directeuren-grootaandeelhouder: ondernemers die meer dan 5 procent van de aandelen in hun eigen bedrijf hebben.

Doorgaans keren ondernemers zichzelf een fictief, laag salaris uit, waardoor zij weinig inkomstenbelasting verschuldigd zijn, legt Cnossen uit. “En alles wat daarboven zit kunnen zij eindeloos in het bedrijf houden.” Dat wordt niet onmiddellijk belast, net zo min als de waardestijging van hun aandelen. Het aldus verdiende arbeidsinkomen wordt “de facto lager belast dan het inkomen van gewone werknemers”.

Jacobs adviseert om het Noorse systeem voor ondernemers over te nemen. “Waar de fiscus in Nederland dga’s een fictief arbeidsinkomen toerekent, doet men dat in Noorwegen met kapitaalinkomen. Alles boven de 10 procent van het geïnvesteerd vermogen wordt progressief belast als arbeidsinkomen.” Dat leidt tot de door hem en Cnossen zo gewenste scheiding van kapitaal- en arbeidsinkomen voor ondernemers.

Van Weeghel en Stevens vinden het huidige fiscale systeem voor ondernemers juist ideaal. Stevens: “Box 2 is een zegen! Daarmee heeft Vermeend veel constructiewerk en belastingvlucht naar België ontmoedigd.” Van Weeghel: “Daar moet je niets aan veranderen.”