Wij móeten iets maken

Modeontwerpers Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene zijn 37 jaar samen. Een gesprek over liefde, rituelen, zakendoen en de modewereld. ‘We zijn met kleding bezig, zo verheven is dat niet.’

Hij weet het nog precies, zegt Dirk Van Saene, de eerste keer dat ze elkaar ontmoetten. „De eerste dag dat we samen in de klas zaten op de academie.”

Walter Van Beirendonck: „Ik herinner me het niet meer zo precies.”

Van Saene: „Ik weet nog wat jij aanhad.”

Van Beirendonck: „Wat je aanhad, weet ik nog wel. Een lichtblauwe trui.”

Van Saene: „Jij een camelkleurige leren broek. Zoiets had ik nog nooit gezien.”

Van Beirendonck: „En bij die trui droeg je een oversized salopette, en je had een baard en krullen.”

Van Saene: „Ik was net terug van vakantie en knalbruin.”

Het was 1977. Walter Van Beirendonck was een jaar eerder begonnen met de modeopleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Omdat er in zijn jaar maar drie leerlingen waren, zaten ze in een lokaal met de eerstejaars.

Voor Van Beirendonck was het liefde op het eerste gezicht, zegt hij. „Maar ik heb wel moeite voor hem moeten doen. Als tweedejaars student moet je een historisch kostuum maken. Ik had Dirk als model gevraagd, zodat ik het helemaal op hem kon maken. Het was een renaissancekostuum met een legging die helemaal strak op het been zat. Er moest veel worden doorgepast. Maar het heeft wel een paar maanden geduurd voor het aan raakte. Het gebeurde bij een concert van Blondie, in Paradiso. Wij gingen toen heel veel naar Nederland, daar was het veel hipper.”

Van Saene: „De liefde was nog helemaal nieuw voor mij. Ik was overdonderd.”

Van Beirendonck: „Voor mij was jij in feite ook de eerste. De eerste serieuze.”

Van Saene: „Het is eigenlijk ongelooflijk dat we nog altijd samen zijn.”

Van Beirendonck: „Het is allemaal zo vlug gegaan. We hebben nooit tijd gehad om te twijfelen.”

Van Saene: „Dat is misschien een beetje overdreven. Maar het ging vanzelf. Het is nooit saai.”

Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene wonen in Zandhoven, een klein dorp ten noorden van Antwerpen, in een huis dat begin negentiende eeuw werd gebouwd als buitenhuis van een notarisfamilie, die nog altijd de eigenaar is. Het is warm en gezellig ingericht, met veel maskers en houten beelden uit Mali en naïeve schilderijen, die Van Beirendonck en Van Saene kochten in hun favoriete stad Boedapest. In Walter van Beirendoncks collectie voor zomer 2014 kwam het huis bijna letterlijk terug: in pakken waren de houten vloeren, de ramen, het behang met een dessin van goudkleurige hommels en zelfs een schilderij van de Hongaarse kunstenares Oláh Jolán verwerkt. Het leken prints, maar de motieven waren helemaal in de stof geweven. Home sweet home, heette de collectie.

Vooral voor Van Beirendonck is het prettig om buiten Antwerpen te wonen, vertelde Dirk Van Saene toen hij me met de auto oppikte in Antwerpen.

De modeontwerper, die met zijn baard, felgekleurde kleding en zwaar beringde vingers een opvallende verschijning is, wordt er op straat voortdurend aangesproken. „In Zandhoven kennen ze hem allemaal al van jongs af, daar laten ze hem met rust.”

De ouders van Van Beirendonck hadden een garagebedrijf in het dorp. Hij woonde er tot zijn twaalfde; toen werd hij naar een internaat gestuurd. „Dat gold toen als de beste manier om een kind groot te brengen”, zegt hij. „En mijn ouders hadden het heel druk. Dus het was geen rare beslissing. Maar ik heb me er heel ongelukkig gevoeld. Nee, er waren geen paters, maar het was heel streng. En ik zat tussen een groep jongens die totaal andere interesses hadden, dus ik zonderde mij af. Daar is de basis gelegd voor mijn fantasiewereld. Ik maakte tekeningen, hield een dagboek bij. Als de anderen aan het voetballen waren, keek ik in het geniep naar Toppop – dat werd al raar gevonden. David Bowie was mijn grote held. Ik voelde me aangetrokken door kunst, musea, mode – ik zag er al heel anders uit dan de rest. Zij droegen sportkleren, ik strakke broeken met wijde pijpen, schoenen met plateauzolen en vesten met franjes.”

Ja, hij werd er gepest, zegt hij. „Maar ik kon me goed verdedigen. Meestal verbaal, maar ik heb ook wel eens een mot moeten uitdelen.”

De jeugd van Dirk Van Saene was, zegt hij, „tegenovergesteld”. Hij zat op de Europese school in Mol. „Het was daar kei vrij. Een heel goede school, zeker voor talen, maar we mochten doen wat we wilden.”

Zijn moeder was huisvrouw, zijn vader was technisch tekenaar bij Euratom. „Die tekende met de hand machines. Ik heb nooit geweten wat voor machines dat waren. Atoomenergie, dat was echt geheim. De mensen die daar werkten hadden een speciale nummerplaat op de auto, alle kinderen gingen naar dezelfde school. We waren een beetje elitair, met de andere mensen uit het dorp hadden we geen contact.”

Als zesjarige ging hij geregeld winkelen met zijn tien jaar oudere tante. „Zij luisterde goed naar wat ik dan zei.”

Aardbeientaart

Het is een zonnige voorjaarsdag. Van Saene serveert in de tuin koffie en aardbeientaart, op tafel ligt een geborduurd kleed dat het stel meenam uit Boedapest, de vogels fluiten uitbundig. „Net een geluidsbandje”, zegt Van Beirendonck. Tegen Van Saene: „Wil jij een kussen op je stoel?”

Boven in het huis hebben ze allebei een atelier. Van Beirendoncks bedrijf is gevestigd in het centrum van Antwerpen, de eerste aanzet voor zijn ontwerpen maakt hij hier.

Naast zijn eigen merk, dat bekendstaat om de zeer gedurfde, vernieuwende en kleurrijke mannenmode, is hij al tien jaar verantwoordelijk voor het kindermerk Zulupapuwa en werkt hij nu aan kostuums voor de opera over farao Akhnaten van Philip Glass, die begin volgend jaar zal worden uitgevoerd door de Vlaamse Opera. Hij is hoofd van de modeafdeling van de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en doceert er ontwerpen.

Van Saene heeft zo mogelijk een nog meer versnipperde werkweek. Hij begeleidt de masterstudenten op de Antwerpse modeafdeling en werkt een of twee dagen bij de eveneens Belgische modeontwerpster Veronique Branquinho, die hij met alles helpt, behalve met ontwerpen („Dat wil ik niet onder andermans naam”). Hij heeft sinds anderhalf jaar een boetiek in Antwerpen, DVS, waar hij elke woensdag zelf in staat, en hij schildert en maakt keramiek: Afrikaans aandoende, elegante beeldjes, naïef servies en kandelaars.

En ja, hij maakt ook mode: kleine collecties zorgvuldig gemaakte, elegante vrouwenmode, vaak bedrukt met zijn eigen schilderijen; dit seizoen heeft hij Snor, een van de katten van de buren als inspiratiebron genomen. Dirk Van Saene wordt door kenners gezien als een groot ontwerper. Al maakt hij alleen een collectie als hij daar zin in heeft. De vaste halfjaarlijkse collecties heeft hij in het begin van het millennium opgegeven. „De stress van de productie, dat je steeds te laat bent met het leveren aan winkels, ik wilde dat niet meer.”

Van Beirendonck: „Dat is het vervelendste, het zwaarste van alles.”

Van Saene: „Als ik iets heb gemaakt, bel ik de winkels die mijn kleding verkopen op en vraag of ze het willen hebben. En dan zeggen ze meestal ja, zonder dat ze weten wat ze krijgen. Maar ik maak het natuurlijk nog wel allemaal mee met Veronique, en met Walter. Twee modehuizen in een gezin, dat is ook gewoon niet te doen.”

Walter:„Jarenlang heeft het gewerkt.”

Van Saene: „Maar nu niet meer. De tijd en het geld zijn er niet meer.”

Van Beirendonck: „Dirk doet nu ook veel voor mij.”

Van Saene: „Ik ben minder fanatiek met mode. Ik vind dat luxe, ik voel me nu veel vrijer dan vroeger. Als ik voor Veronique werk, heb ik natuurlijk met dezelfde dingen te maken, maar ik neem dat niet meer mee naar huis. Zodra ik de deur daar dichtdoe, ben ik het vergeten. Maar eigenlijk ben ik nooit zo ambitieus geweest.” Tegen Van Beirendonck: „Maar jij gaat dat nooit doen, afhaken. Jij bent zoals Karl Lagerfeld: bezeten.”

Van Beirendonck: „Ik wil mezelf uitdagen en verder duwen. Ik heb het gevoel dat ik nu meer kan dan vroeger. Ik kan sneller beslissingen nemen. Het wordt leuker, ja, toch wel. Ik wil nog veel dingen doen. Maar het blijft intens. Ik twijfel altijd. Maar dan is er Dirk die me helpt.”

Van Saene: „Je móet twijfelen.”

Van Beirendonck: „Dirk keurt alles goed wat ik ontwerp.”

Van Saene : „Niet alles!”

Van Beirendonck: „Oké, hij vindt niet alles goed wat ik doe. En hij is heel direct, hij zegt dat meteen. Als hij het niet zo geweldig vindt, duurt het wel even voor ik dat heb verwerkt. Maar soms druk ik het dan toch door.”

Van Saene: „Ik vind het wel fascinerend hoe hij zoveel uiteenlopende dingen bij elkaar brengt. Zijn creativiteit, dat is wat ik het meest in hem bewonder. Die stopt nooit. Maar ik heb een andere smaak. Mag ik zeggen dat ik iets gesofisticeerder ben? Minder in your face. Ik ben als persoon ook minder opvallend.”

Van Beirendonck: „Eleganter.”

Van Saene: „Met fetisj en rubber heb ik helemaal niets.”

Van Beirendonck: „Veel mensen denken dat ik elke dag in een sling hang, omdat sm zo vaak in mijn collecties terugkomt. Maar als ik alles zou doen waardoor ik mij laat inspireren… Iedereen denkt ook altijd dat ik met drugs bezig ben. Nooit! En ook nooit interesse in gehad. Ik weet nog dat ik een keer in Londen kwam en iemand tegen me zei: ‘You must be on acid’. Ik had geen idee wat acid was. Ik heb een tijd veel smileys en zonnetjes gebruikt, maar dat waren voor mij symbolen van de Azteken. Ik ben ook gefascineerd door Papoea-Nieuw-Guinea. Maar ik ben er nog nooit geweest – Dirk wil er niet naartoe.”

U heeft persoonlijk helemaal niets met leer, rubber en sm?

Van Beirendonck: „Nou ja, wij hebben natuurlijk wel dingen ontdekt op dat gebied, we zijn vroeger veel uitgegaan. In Antwerpen doe ik het niet meer zo graag, omdat ik dan altijd word herkend, maar als ik in San Francisco ben, ga ik wel naar bear- en leatherbars. Wij zijn geen paters.”

Van Saene: „Zeker niet.”

Van Beirendonck: „Maar ik hoef niet alles zelf te ondergaan. Ik word niet geprikkeld door leer. Ik ben gefascineerd door rituelen. De overgang van jongen naar man gaat in Nieuw-Guinea gepaard met rituelen, en sm heeft dat ook: je trekt speciale kleren aan, je zet een masker op. Dat boeit mij.”

Uw shows hebben bijna altijd een boodschap: voor tolerantie en veilige seks, tegen discriminatie, racisme en de consumptiemaatschappij.

„Mode is voor mij communicatie. Kleren zijn voor mij niet genoeg. Ik wil er altijd iets mee vertellen. Er zijn belangrijker zaken dan trends. Dat heb ik vanaf het begin gehad, dat zit in me. Daar begint het idee voor een collectie meestal ook mee.”

Heeft dat iets te maken met uw tijd op het internaat?

„Oh, dat weet ik niet. Maar ik heb daar natuurlijk wel ondervonden wat onredelijkheid is, hoe het voelt om buitengesloten te worden.”

Huishouden

Een buurkat komt de tuin in. „Blijf van de vogels af, Lilly!”, roept Van Saene, die met een verse pot koffie de tuin in loopt. Hij is, bevestigt hij, degene die het huishouden grotendeels op zich neemt. „Dat moet wel.”

Van Beirendonck: „Ik heb het nooit geleerd. Hij heeft alleen gewoond, ik niet. Ik ben rechtstreeks van mijn ouders naar Dirk gegaan. Hij gaat elke dag vóór het ontbijt naar de bakker. Hij kookt elke dag, alles biologisch. Dirk is vegetariër, maar voor mij koopt hij vlees.”

Van Saene: „Hij is constant met zijn werk bezig. Constant. Ik zeg er te weinig van.”

Van Beirendonck: „Vandaag heb ik opgeruimd. Dat kan ik nog wel.”

Van Saene: „Hij kan ook niet alleen zijn. Als ik in Italië ben, waar de kleding van Veronique wordt geproduceerd, probeert hij ook ergens heen te gaan.”

Van Beirendonck: „Ik vind het hier dan leeg en onaangenaam. En eenzaam. Ik kan slecht voor mezelf zorgen.”

Van Saene: „Ik vind het zalig.”

Van Beirendonck: „Om af en toe van mij af te zijn?”

Van Saene: „Natuurlijk. Ik ben heel zelfstandig. Dat had ik als kind al.”

Van Beirendonck: „Dirk is drie jaar geleden een zomer artist in residence geweest in San Francisco.”

Van Saene: „Als keramist. Dat was heel fijn.”

Van Beirendonck: „Gelukkig was ik toen heel druk met een tentoonstelling.” In het najaar 2011 had hij een overzichtstentoonstelling in het ModeMuseum in Antwerpen: Dream the world awake.

Van Saene en Van Beirendonck maakten in het begin van hun carrière deel uit van de Antwerpse Zes, zes aan de Academie voor Schone Kunsten opgeleide ontwerpers die zich in 1986 gezamenlijk presenteerden in Londen en later Parijs. Ook Ann Demeulemeester, Dirk Bikkembergs en Dries Van Noten hoorden bij de groep. Al op school waren ze hecht: ze gingen samen uit en samen op vakantie. Van Beirendonck vertelt dat ze in New York waren en met zijn allen ’s nachts naar het huis van fotograaf Robert Mapplethorpe gingen, omdat Van Beirendonck een fan van hem was. „In de Bronx, toen een heel gevaarlijke buurt. We hebben alleen maar voor de deur gestaan, we durfden niet aan te bellen. Later gingen we naar Japan, naar Londen. Pas begin jaren negentig is het uit elkaar gevallen, toen we allemaal in Parijs begonnen te showen.”

Van Saene was de ondernemendste van allemaal: meteen na zijn eindexamen opende hij een winkeltje in Antwerpen, Beauties and Heroes, waar hij zijn eigen ontwerpen verkocht. In 1990 showde hij voor het eerst in Parijs. „Mijn collecties waren toen heel extreem.” Tegen Van Beirendonck: „Weet je nog, mijn tweede show? Waarin bijna alles, ook een trenchcoat, gemaakt was van tule?”

Van Beirendonck: „De zaal zat vol, maar in de showroom kwam daarna niemand.”

Van Saene: „Ik had ze in een oud coutureatelier aan het plafond gehangen. Het licht viel er heel mooi doorheen. Maar niemand heeft dat gezien. Niemand. Nul. Nou ja, het was ook onmogelijk materiaal. Mijn volgende show was een party, met een zangeres en dansende modellen. Toen heb ik wel verkocht.”

Van Beirendonck begon in 1983 met zijn eigen merk, maar hij deed er altijd projecten bij, zoals een sportieve lijn van de Italiaanse ontwerper Gianfranco Ferré. „Begin jaren negentig werd ik opgemerkt door fabrikanten.” Samen met een Italiaanse producent zette hij W&LT op (Wild and Lethal Trash, uitgesproken als Walt). In 1993 werd W&LT ingelijfd door het Duitse jeansmerk Mustang, dat Van Beirendonck carte blanche en enorme budgetten gaf. Van Beirendonck bedacht het figuurtje Puk Puk voor het merk: een alien met een gestreept T-shirtje aan. In 1995 was de eerste Parijse show van het label: de tientallen modellen waren van top teen in rubber. De uitgesproken, kleurrijke kleding van W&LT paste perfect bij het uitbundige uitgaansleven van die dagen en werd een enorm succes; de collectie werd al snel verkocht in zo’n 600 winkels over de hele wereld. Maar eind jaren negentig ging het mis.

Van Beirendonck: „De mode veranderde. Prada Sport werd heel populair, die minimalistische zwarte nylon dingen met die rode streep. De marketingmensen van Mustang wilden dat ik dat ook ging maken, maar ik kon niks ontwerpen waar ik niet achter stond – mijn gezicht was zó gekoppeld aan dat merk. Ik wilde ook niet zomaar stoppen, omdat er twintig mensen onder mij werkten. Maar toen ik bij een fabriek kwam en ontdekte dat er achter mijn rug een andere collectie werd gemaakt onder mijn naam, was het gedaan.”

Het was een beslissing die niet zonder consequenties bleef: Van Beirendonck pleegde contractbreuk, en mocht daarom vijf jaar geen kleding onder zijn eigen naam verkopen.

Hij begon met een collectie die hij niet te koop aanbood, en vervolgens richtte hij het label AestheticTerrorists op. Sinds 2003 heet zijn merk weer Walter Van Beirendonck. Het merk is helemaal van hem. „Ik leen zelfs geen geld van banken”, zegt hij. „Ik wil onafhankelijk zijn. Ik wil me voor niemand hoeven te verantwoorden. Als ik wil stoppen, wil ik dat meteen kunnen doen, en niet nog tien jaar leningen moeten aflossen.”

Van Saene: „Dat zijn de enige momenten dat er stress is in huis, als er geld nodig is voor de productie en de show.”

Van Beirendonck: „Maar het gaat net. Ook omdat ik er zoveel dingen naast doe.”

Vlak na de succesvolle overzichtsexpositie in het MoMu kwam de tweede grote tegenvaller. Begin 2012 ging de conceptstore Walter failliet, de winkel die Van Saene en Van Beirendonck sinds 1998 dreven in een oude garage. De huisbaas had de huur verdrievoudigd. De ontwerpers protesteerden, maar kregen voor de rechter ongelijk, waardoor ze met een enorme huurschuld zaten. „De Belgische pers rook bloed”, zegt Van Beirendonck. „Die zijn er meteen op gesprongen. Overal stond dat ik failliet was, en het was echt alleen maar de winkel. Het ging toen net beter met de verkoop van mijn collecties. Ik heb daar lang last van gehad. Als je mij googelt, kom je het nog steeds tegen.”

Bent u wel eens jaloers op mensen die rijk zijn geworden met hun mode?

Van Beirendonck: „Met mijn manier van denken zit dat er gewoon niet in. Ik ben te koppig, ik wil altijd mijn zin hebben. Dat geldt voor ons allebei: wij doen geen water bij de wijn, nooit.”

Van Saene: „ Om veel geld te verdienen, moet je een stijl hebben die aansluit bij een groot publiek.”

Van Beirendonck: „Dat kun je echt niet zeggen van mij. De laatste jaren is er wel veel respect gekomen. Van de pers, maar ook van andere ontwerpers als Raf Simons en Bruno Pieters. Ik heb niet het idee dat ik iets anders doe dan een paar jaar geleden, maar het wordt enorm geapprecieerd op dit moment.”

Van Saene: „Aandacht is er genoeg.”

Van Beirendonck: „Maar het lukt mij niet die te verzilveren. Ik heb wel geprobeerd iets simpeler dingen te maken, om zo meer te kunnen verkopen, maar daarvoor komen winkeliers niet bij mij. Ik ben er voor de verrassingen.”

Van Saene: „Ik koop die eenvoudige broeken ook niet meer in voor mijn winkel. Die blijven altijd over.”

Van Beirendonck: „Binnen het Parijse modesysteem geld ik nog steeds als een jonge ontwerper. Ik zal niet zeggen dat het comfortabel is, maar het past wel bij me. Ik kan dingen doen die ontwerpers bij grote modehuizen zich niet of niet meer kunnen permitteren. Daarom er is altijd wel een oplossing, als het financieel tegenzit.”

Van Saene: „Ik heb eens een collectie gemaakt van ongebleekt katoen toen ik weinig geld had. Die was super.”

Van Beirendonck: „Ik van stoffen uit de uitverkoop, en dat was een van mijn sterkste collecties.”

Van Saene: „Maar de shows zijn altijd duur. Op een gegeven moment had ik geen zin meer daaraan zoveel geld uit te geven.”

Bent u zuinig?

Van Saene: „Nee, helemaal niet. Het enige waar ik geen geld aan kan uitgeven is kleding.”

Hoe komt dat?

„Ik weet er te veel van. Het is zo vaak oplichterij! Prijzen zijn soms zo gigantisch, dat is waanzin. Vroeger kreeg je daar couture voor, maar nu is dat echt niet beter dan confectie. Het lijkt wel of kwaliteit, klasse, ouderwets is.”

Van Beirendonck: „Een jasje dat bij mij 1.300 euro kost, zou bij Louis Vuitton zo 4.000 euro kosten. Er is geen reden voor, behalve de reclamecampagnes die ervan moeten worden betaald. Maar mensen zijn bereid dat te betalen. Het is snobisme.”

Van Saene: „Dat is een kant van de mode die ik haat.”

Van Beirendonck: „Als ik zulke prijzen zou vragen, zou ik niks meer verkopen.”

Houdt u wel van de modewereld?

Van Saene: „Ik vind het vre-se-lijk. Ik heb het niet over de ontwerpers, maar de mensen eromheen. Het gaat allemaal over geld, en status, je belangrijker voelen dan iemand anders: mensen die in de mode werken, denken dat ze een trapje hoger staan dan anderen. Terwijl: we zijn met kleding bezig, met stoffen – zo verheven is dat niet.”

Waarom bent u er dan toch niet helemaal uitgestapt?

Van Saene: „Ik kan niet zonder. Ik móet iets maken. Dat zit er gewoon in.”

Van Beirendonck: „De behoefte om iets te creëren is bij ons allebei heel sterk. Daar gaat het uiteindelijk om. Voor mij is het tekenen het hoogtepunt. Ik teken nog alles met de hand, het gaat rechtstreeks van het hoofd naar het papier. Het is een heel intens proces.”

Van Saene: „Ik ben niet zo bezig met silhouetten. Ik schilder eerst de prints, de silhouetten bedenk ik in mijn hoofd. Keramiek, dat is iets anders.”

Van Beirendonck: „Dat is therapie voor hem.”

Van Saene: „En amusement. Heerlijk.”

Van Beirendonck: „Dan zit hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat heel stilletjes in zijn kamer te werken.”

Van Saene: „Maar mode blijft toch altijd kriebelen. Ik houd ervan dat het snel is, dat het gaat om vernieuwing en verandering.”

U denkt nooit: misschien had ik toch een andere keuze moeten maken?

„Nee, nooit. Nou ja, misschien het enige..” Van Saene lacht. „In 1983 won ik de Gouden Spoel, de modewedstrijd die de Belgische overheid toen uitschreef. Jean Paul Gaultier was de voorzitter van de jury. Die was toen echt de top. Na de show vroeg hij of ik bij hem wilde komen werken, en ik zei nee. Daar heb ik wel een beetje spijt van.”

Waarom zei u nee?

„De veranderingen, hè. Ik zou naar Parijs hebben gemoeten. Wij leefden toen al samen.”

Van Beirendonck: „Hebben we het daar vaak over gehad? Nee, hè?”

Van Saene: „Martin Margiela is wel Gaultiers assistent geworden, en werd later natuurlijk heel succesvol met zijn eigen label. Ik denk dat het anders was gelopen als ik toen ja had gezegd. Maar ja, dan was álles misschien wel anders gelopen. Ook tussen ons.”