Weeskind danst het Zwanenmeer

Michaela DePrince (19), leerling bij Het Nationale Ballet, is een oorlogswees uit Sierra Leone. Ze schreef een boek over haar jeugd.

‘Het tijdschrift zat tegen het hek aan, precies ter hoogte van mijn gezicht. Ik stak mijn arm uit en pakte het.... Ik keek naar het omslag. Een witte vrouw in een heel kort, glinsterend roze rokje dat wijd uitstond. Ze droeg ook roze schoentjes die eruitzagen alsof ze gemaakt waren van de zijden stof die ik ooit op de markt had gezien, en ze stond ermee boven op haar tenen. ‘Is dat niet een rare manier van lopen?’ vroeg Mabinty Suma. ‘Hm, misschien is ze aan het dansen,’ zei ik.... Op dat moment hoorden we Auntie Fatmata roepen dat we terug moesten komen. ‘Ga maar gauw, ik kom zo,’ zei ik. Terwijl de wind probeerde het tijdschrift uit mijn handen te rukken, scheurde ik snel de foto eruit en vouwde hem dubbel, en daarna nog eens. Ik stopte hem in mijn onderbroek, het enige kledingstuk dat ik bezat.’

Zo begon ooit de balletpassie van danseres Michaela DePrince (19): met een foto in een oud ballettijdschrift, door de hete Afrikaanse wind naar het weeshuis geblazen waar zij, toen nog Mabinty Bangura geheten, als peuter woonde. Haar vader was vermoord door de rebellen die in de jaren negentig dood en verderf zaaiden in Sierra Leone, haar moeder verhongerde voor haar ogen. Als intelligent en ontvankelijk kind was zij getuige van onbeschrijflijke gruwelijkheden. In Ze noemden me Duivelskind, het boek dat zij met haar Amerikaanse adoptiemoeder Elaine DePrince schreef, heeft ze haar traumatische jeugd opgetekend.

‘Duivelskind’

Al vele malen vertelde zij haar verhaal – de ondertitel van de oorspronkelijke Amerikaanse uitgave luidt bondig ‘van oorlogswees tot sterballerina’ – op televisie, in tijdschriften en kranten. Geroutineerd, zo lijkt het, omdat ze haar gevoelens blokkeert, zegt ze. „Dat moet wel, anders krijg ik het niet voor elkaar. Het maakt misschien een vreemde indruk als ik mijn geschiedenis zo zakelijk vertel. Maar het is te zwaar om het de hele tijd te voelen.”

Als kind met vitiligo, een huidaandoening die depigmentatie veroorzaakt, werd zij door dorpelingen als duivelskind gezien, in het weeshuis stond zij letterlijk onderaan de voedselketen en werd ze door de ‘Aunties’, de begeleidsters, mishandeld. Juf Sarah, die de pientere peuter Mabinty stimuleerde, bracht een sprankje hoop, maar ook dat werd bloederig de bodem ingeslagen.

‘Ik perste mijn dunne lijf door de smeedijzeren tralies van het hek en rende op [juf Sarah] af. Toen ik daar was, hadden een paar debils [een samentrekking van rebel en devil – red.] haar bij haar polsen en enkels vast. Een grote kerel, duidelijk de leider van het stel, schreeuwde: ‘Jongen? Meisje?’ ... Toen zwaaide de leider zijn lange, kromme mes tot boven zijn hoofd. Toen ik zag wat hij van plan was, wierp ik me op juf Sarah. De leider lachte me uit, greep me bij mijn T-shirt en gooide me aan de kant alsof ik niet meer woog dan een insect. Toen bracht hij het mes omlaag en sneed juf Sarah open. Het bloed spoot alle kanten op en bedekte me van top tot teen. De debil trok het ongeboren kind uit het lichaam van juf Sarah. Hij bekeek het en schreeuwde: ‘Een meisje!’

Ondanks dergelijke ervaringen, en dankzij de liefdevolle opvang door haar (blanke) adoptieouders in de Verenigde Staten transformeerde het getraumatiseerde, zieke weesje uit Sierra Leone tot getalenteerd danseres bij een klassiek balletgezelschap; Het Nationale Ballet in Amsterdam. Niet dat na haar adoptie, op vierjarige leeftijd, alle problemen achter de rug waren. „Het moet de eerste jaren voor mijn ouders heel moeilijk geweest zijn van een kind te houden dat zelf geen liefde kon tonen. Ik was een boos kind, bang te geloven in hun liefde en het leven dat ik had gekregen. Ik dacht écht dat het een droom was.”

Miss Sierra Leone

Tot op de huidige dag ervaart ze de invloed van haar van ellende en geweld doortrokken jeugd. Luide knallen, geschreeuw en camouflagepakken hebben nog steeds een effect op haar en ze slaapt met het licht aan. Zwarte mannen heeft ze lange tijd geschuwd. In het boek vertelt ze dat de Amerikaanse danser Arthur Mitchell, die onder andere bij George Balanchine’s fameuze New York City Ballet danste, de eerste zwarte man was die ze vertrouwde, ondanks zijn bulderende stemgeluid en de gehate koosnaam die hij voor Michaela bedacht: Miss Sierra Leone.

In de Verenigde Staten werd zij zich geleidelijk aan bewust van haar huidskleur en discriminatie, in het dagelijks leven – met hun schare gekleurde adoptiekinderen wekten hun blanke ouders niet alleen nieuwsgierige maar ook afkeurende blikken – én in de balletstudio. De klassieke dans is nog altijd een overwegend blank bastion. Mede daarom vertelt zij keer op keer haar verhaal en schreef zij nu met haar moeder dit boek.

DePrince: „Ik wil een rolmodel zijn voor gekleurde danseressen die een loopbaan in het ballet ambiëren. Het feit dat je er anders uitziet, wil nog niet zeggen dat dat niet voor jou is weggelegd.”

Ze weet echter maar al te goed dat zwarte danseressen bij Amerikaanse balletgezelschappen weinig kans maken, tenzij ze relatief licht zijn. Het voorlopige einde van haar biografie is daarom een even poëtisch toeval als dat tegen de hekken van het Afrikaanse weeshuis gewaaide ballettijdschrift. In de jaren zestig moest een van de eerste zwarte Amerikaanse ballerina’s, Raven Wilkinson, als gevolg van rassenhaat haar professionele loopbaan buiten Verenigde Staten voortzetten. Het Nationale Ballet engageerde haar als tweede soliste. Aanstaande woensdag danst Michaela DePrince bij datzelfde gezelschap haar eerste solo, in Het Zwanenmeer.