Tante Ida

foto Annaleen Louwes

Het stratenplan van Antwerpen ligt al een halve eeuw in mijn hoofd opgeslagen. Als kind namen mijn ouders me al mee naar de Belgische havenstad. We gingen naar de Sint-Mattheusstraat in de wijk Borgerhout. Op nummer 53 woonde tante Ida, een zus van mijn oma die getrouwd was met ome Jos – Zjoz – Daems.

Tante Ida (1903-1994) woonde in het mooiste huis van de straat. Het hoge pand had een statige gevel. Je kwam binnen via een marmeren hal met pilaren. Rechts een paar treden op en dan stond je in een achterkamer. De antieke kasten langs de muren leken voor eeuwig hun plaats te hebben ingenomen. En stond er in de hoek niet een oude piano met afgesleten toetsen van ivoor? Zingen, dat deed ze graag. Thuis en in de kerk. Met zo’n hoge, vibrerende stem.

In de serre, met uitzicht op een langwerpige tuin, zat tante Ida het liefst. Ze was de vrouw die nog voor de Tweede Wereldoorlog uit Holland was vertrokken om in Antwerpen te gaan wonen. Dat was in die tijd een wereldreis voor een boerendochter uit Leiderdorp. Ze was geliefd, voor haar verjaardag trok de hele familie naar Antwerpen.

Ik hield van tante Ida. Ze was mijn Belgische oma. Mijn Belgische moeder.

Mijn Amsterdamse neef en ik konden altijd bij haar terecht als we een weekend wilden stappen in Antwerpen. Wij waren achttien, zij was al flink in de zeventig. Haar man was inmiddels overleden. Plek zat in het herenhuis.

Er was geen eindtijd, geen bevoogdend vingertje. We kregen de sleutel en moesten maar zien hoe laat we thuiskwamen. Na een nachtelijke rondgang door het centrum, na te veel trappist drinken uit glazen kelken, zwalkten we over de lange Turnhoutsebaan terug naar Borgerhout.

Met de slappe lach in het lijf gingen we op de tast het huis in. Met de vingers langs de pilaren in de gang, voorzichtig de treden op, vermijden dat de deur piept en uiteindelijk op zoek naar het grote logeerbed.

Liggend op mijn rug tolden de interieurs en de markante koppen uit de Antwerpse cafés in het rond. Net als onze landgenoten in Antwerpen had ik vast weer te hard gepraat. Maar ho, ik was geen arrogante Ollander zonder historisch besef: ik kende tante Ida, ik had een geschiedenis met deze stad. Tante Ida. Die naam kunnen noemen in Antwerpen voelde als het tonen van een verblijfsvergunning, al was het maar voor een weekend.

Als ik tegen het middaguur met een houten kop uit bed stapte en de achterkamer in liep, deed tante Ida alsof er niets aan de hand was. Ze had ontbijt gemaakt en ging thee zetten. Ik keek naar het stevige schommelende lijf dat rustig over de tegels van de keuken ging. Dit was een veilige haven. Alles mocht, alles kon. Ik nam mijn eerste liefdes zelfs eerder mee naar Antwerpen dan naar mijn ouders in Rotterdam. Mijn kersverse meisje werd door tante Ida nooit beoordeeld. Je zag het aan haar vredige oogopslag achter haar antieke montuur, dat met één brillenglas leunde op een markante pukkel op haar wang.

Nadat tante Ida overleed had ik geen reden meer om Borgerhout te bezoeken. In Vlaamse kranten las ik hoe Antwerpenaren scheef aankeken tegen hun ‘inwijkelingen’. De Marokkaan had het gedaan. Borgerhout kreeg als bijnaam ‘Borgerocco’ en werd het voorbeeld van een multiculturele wijk in verval.

Tante Ida was een van de eerste buitenlanders in Borgerhout. Ik weet zeker, zij had de deur van haar huis in de Sint-Mattheusstraat altijd voor iedereen opengehouden.

Op het web zoek ik naar recente foto’s van de Sint-Mattheusstraat. Na een tijdje vind ik een plaatje van de straat. Ik zoom in op nummer 53. Het huis heeft nog altijd die chique gevel. Op de eerste verdieping zie ik een kartonnen bord tegen het raam geplakt: te koop.

Kon ik het paneel van de makelaar er maar afscheuren. En dan tante Ida met een charmant zetje tegen haar achterste tot leven wekken om – al was het maar een paar seconden – samen met haar weer in die grote hal te staan. Kijken naar haar onverstoorbare gezicht en luisteren naar haar kalme stem. Haar nog een keer horen zingen, zo vrij en vrolijk, dat je vanzelf zou gaan geloven dat in Borgerocco alles weer goed komt.

Wilfried de Jong