Pas op! Een knakworst

Vinger tussen de deur, verslikt in een druif. Per jaar gaan 25 jonge kinderen dood aan ongelukken, duizenden belanden in het ziekenhuis. Twee artsen geven tips in het boek Pas op kijk uit! Gezond verstand, of „pathologisch voorzichtig”?

foto’s thinkstock

Is het gevaarlijk om voor kleine kinderen tweedehandsspullen te kopen? Of gebruikte spullen aan andere jonge ouders door te geven? Bedjes, wagens, zitjes – een opgroeiend kind past er soms maar een jaartje in en dan zijn ze weer overbodig. Speelgoed is ook leeftijdgebonden. Of raakt uit de gratie.

Kijk of er misschien een veiligheidswaarschuwing voor het product bestaat, adviseren de schrijvers van Pas op kijk uit!, een afgelopen week uitgekomen boek vol informatie, ervaringen en eerstehulpadvies. Het gaat over alle ongevallen waar nul- tot vijfjarige kinderen gewond door raken of door overlijden. En belangrijk: er staan tips in om al dat leed voor te zijn. Zo zijn er websites waar oude terugroepacties op staan, om te kijken of die tweedehandsspullen veilig zijn, schrijven Mariëlle Vehmeijer en Fieke Slee.

Overdreven voorzichtig?

Dan is hier het praktijkverhaal van de twee zussen die gingen winkelen. De baby van de een zat in een draagzak die de andere zus haar had gegeven. Tweedehands gekocht. Na het passen van een jurkje was er weer even aandacht voor de baby. Die lag slap en schijnbaar levenloos in zijn draagdoek. Paniek, maar het was net op tijd. Eenmaal opgepakt en gestreeld begon het kindje hard te huilen. De draagzak was twee jaar daarvoor door de fabrikant teruggeroepen, bleek later. Er waren kindjes in gestikt.

Hartverscheurende verhalen

Die praktijkverhalen in Pas op kijk uit! zijn hartverscheurend. Een moeder die pannekoeken wilde bakken, maar de melk was op. Gehaast stapte ze in de auto, keek in de spiegels, reed achteruit de oprit uit, voelde dat ze ergens overheen reed en hoorde een schreeuw. Ze was over het been van haar zoon Thijs gereden.

Slee en Vehmeijer hebben die verhalen uit eigen praktijk geput. Vehmeijer is chirurg, gespecialiseerd in brandwonden. Slee is arts op de intensive care voor kinderen. En allebei hebben ze drie kinderen. Dus ervaring met wat er in het dagelijks leven fout kan gaan. De ernstige gevolgen zagen ze in hun ziekenhuizen.

Wie hun boek doorleest bekruipt het akelige idee dat die ongelukken aan de orde van de dag zijn. Dat je voortdurend voorbereid moet zijn op het ergste. Dat er geen moment van onoplettendheid mag zijn. Elf hoofdstukken zijn er, van verstikking tot vergiftiging. En daartussen de amputaties door dichtslaande deuren, brandwonden door vlammen en hete vloeistof, verkeersongevallen en de onbedoelde verhanging door gordijnkoorden en sjaals. Je zou bijna vergeten dat het heel vaak, dag in dag uit, heel goed gaat.

„Ja, in de praktijk zien wij het topje van de ijsberg”, zegt Slee. „En dat is geen leuk topje.”

Jaarlijks overlijden er ruim 25 kinderen van 0 tot 5 jaar door verkeersongelukken en privé-ongelukken. Vehmeijer: „En er worden 6.000 tot 7.000 kinderen na een ongeluk in het ziekenhuis opgenomen. Het is onbekend wie blijvend lichamelijk letsel oploopt. Maar hoe het ook afloopt: iedereen draagt zo’n ongeval levenslang bij zich. Iedereen heeft wel een verhaal over een buurkind of familielid, of eigen kind dat een ongeluk kreeg.”

Doe een cursus kinder-ehbo

De helft van die ongelukken gebeurt in en om het eigen huis. Slee: „In het ziekenhuis zeggen de ouders vaak: ‘had ik maar geweten hoe ik mijn kind had moeten helpen toen het gebeurde’. Dat hebben we opgeschreven. Kijk, medici weten het. De overheid weet het. Het sijpelt alleen onvoldoende door naar de ouders.”

In het boek staat kort wat je moet doen als een kind niet meer ademt, als het gevallen is, hoe je moet reanimeren. Er zijn zelfs uitscheurpagina’s met instructies voor reanimatie van een jong kind. De vraag is of die in panieksituaties leesbaar zijn. Vehmeijer: „Slechts 15 procent van de ouders heeft een cursus kinder-ehbo gedaan. Daar leer je om te durven handelen. Maar belangrijker is om te voorkómen dat een normale gezinssituatie plots in diepe ellende omslaat. Je kunt risico’s vermijden. Ouders van kinderen die een ongeluk hebben gehad, weten vaak helemaal niet dat iets gevaarlijk is.”

Zoals?

Vehmeijer: „Nou, verslikken in een druif. Of in zo’n cherrytomaatje. Dat gevaar is vrijwel geweken als je ze doorsnijdt voor je ze aan een klein kind geeft.” Bij kinderen die jonger zijn dan vier is verslikken het meestvoorkomende dodelijke ongeluk. De adviezen zijn evidence based, voorzover beschikbaar. Achterin het boek staan in het kleinst beschikbare lettertype vier pagina’s vol met een imposante literatuurlijst. Vast onderdeel in ieder hoofdstuk zijn de lijstjes met ‘niet zo, maar zo’, met do’s en don’ts.

Chaos aan het einde van de dag

Nederland heeft nog een jaar, dan moet de sterfte onder kinderen tot vijf jaar met tweederde zijn gedaald, vergeleken met 1990. Dat is fors, maar het lijkt te lukken. Die daling in kindersterfte is een van de in 2000 geformuleerde VN-millenniumdoelen. Meestal gaat het om ontwikkelingslanden als die doelen in het nieuws zijn. In de ontwikkelde wereld stierven in 1990 15 kinderen per 1.000 voor hun vijfde levensjaar. In de landen ten zuiden van de Sahara waren het er 177 per 1.000. In 2012 is dat gedaald naar 6 per 1.000 in de ontwikkelde landen en 98 per 1.000 in het zuiden van Afrika, waar de hoogste kindersterfte ter wereld bestaat. Daar gingen in 2012 3.245.000 kinderen dood voor hun vijfde verjaardag. In de ontwikkelde landen waren het er 90.000.

Slee: „De voorspelbaarheid zit vaak in het onvoorspelbare. Aan het eind van de dag, als ik met een van de kinderen bezig ben met zijn huiswerk. En de anderen onrustig en hangerig worden. Als het chaos is in mijn gezin, dan is de kans groot dat er iets gebeurt. Daarvan moet je je bewust zijn en je niet laten afleiden.”

Vehmeijer: „Maar op de langere termijn is veel voorspelbaar. Een kind groeit op. Het is voorspelbaar dat je kind op een dag gaat kruipen of lopen. Als je dan nog geen traphekje hebt ...”

Slee, lachend: „Je hoort, we zijn pathologisch voorzichtig.”

Vehmeijer: „Inderdaad. Ik heb thuis geen barbecue. En er staat ook geen theepot op tafel. Dat heeft met mijn werk als brandwondenchirurg te maken. Maar los daarvan. We hebben het boek zo proberen te schrijven dat we niet bang maken, niemand een schuldgevoel aanpraten, maar een veilige omgeving creëren. Je moet er natuurlijk ook niet non-stop bovenop zitten. Een kind moet leren om met risico’s om te gaan. Nou, laat hem dan op een laag muurtje spelen met de mogelijkheid dat hij ervanaf valt.”