Oorlog die niet te winnen is

Anders dan een jaar geleden zijn de Amerikaanse publieke opinie en de politiek vóór aanvallen in Syrië en Irak. Sceptische geluiden over doel en duur sneeuwen onder.

Honderden demonstranten stonden voor het Witte Huis, terwijl president Obama binnen de natie toesprak. De president vroeg het Congres en de Amerikaanse bevolking om hem te helpen met het moeilijke besluit om luchtaanvallen op Syrische doelen uit te voeren. „Het idee van militaire actie, hoe klein ook, zal niet populair zijn.” Nee, zei 70 procent van de Amerikaanse bevolking. Nee, zei ook het Congres. Obama moest zijn aanvalsplan op de lange baan schuiven.

Dat was op 10 september 2013.

Precies een jaar later, afgelopen woensdag, sprak Obama opnieuw de bevolking toe. Weer vroeg hij om steun voor militaire actie, dit keer in Syrië en Irak. Hij wil de Syrische rebellen bewapenen tegen de Islamitische Staat (IS) en de steun aan de Koerden en het Iraakse leger opvoeren. Ook wil hij meer luchtaanvallen uitvoeren aan twee kanten van de Syrisch-Iraakse grens.

Deze keer stonden er géén demonstranten voor het Witte Huis. Er is geen debat tussen voor- en tegenstanders. De Amerikaanse bevolking vindt het prima: 61 procent is nu vóór ingrijpen in Syrië en Irak. En het Congres? Dat wil liever vandaag dan morgen ten strijde trekken tegen de Islamitische Staat.

In beide toespraken gebruikte Obama min of meer dezelfde woorden. Amerika’s „nationale veiligheid” stond op het spel. Er zouden geen „manschappen op de grond” worden ingezet, en de operaties zouden een beperkte schaal hebben. Maar ze zouden laten zien dat het Amerika menens is als leider van de vrije wereld. De maatschappelijke reactie op deze woorden was deze keer alleen heel anders. IS is immers geen Bashar al-Assad. Assad gebruikte chemische wapens tegen zijn eigen bevolking. IS onthoofdde de Amerikaanse journalisten James Foley en Stephen Sotloff. Die onthoofdingen hebben de Amerikaanse bevolking diep gekrenkt.

Hier ligt misschien wel de kern van het plotselinge einde van Amerika’s oorlogsmoeheid: de angst is terug. Volgens een jaarlijkse peiling van NBC News denkt 47 procent van de Amerikanen dat het land onveiliger is dan vóór de aanslagen van 11 september 2001. In dertien jaar is nooit eerder zo’n hoog percentage gemeten. Bill McInturff, die het onderzoek leidde, zei: „Een oorlogsmoe land is wakker geworden, en ziet het echte gevaar van IS. De onthoofdingen hebben diepe indruk gemaakt bij het publiek. De enige gebeurtenis die daarbij in de buurt kwam, waren de zelfverbrandingen in Vietnam.”

Angst leidt tot eensgezindheid. Na drie jaar afwezigheid zal Amerika opnieuw oorlog gaan voeren in Irak. Mogelijk komt daar een oorlog in Syrië bij. Maar waar is de strategie? Dit is een misschien wel opmerkelijker verschil met 2013. Vorig jaar pleitten denktanks en militaire deskundigen vrij eensgezind voor luchtaanvallen op Syrische doelen. Het debat werd maatschappelijk emotioneler gevoerd. Maar de invloedrijke stemmen in Washington waren het ongeveer eens over het nut en de strategie. Nu is dat anders. Luister naar deskundigen, bezoek een denktank, en overal hoor je: hoe gaat Obama deze oorlog in vredesnaam winnen?

Morele verantwoordelijkheid

De ochtend na Obama’s speech schoof bijvoorbeeld generaal b.d. Michael Hayden aan bij de denktank Atlantic Council. Hayden was tussen 1999 en 2005 directeur van de National Security Agency (NSA), en heeft een carrière van 39 jaar in de luchtmacht. Hij weet wel iets, zei hij ironisch tijdens een gesprek met de pers, van luchtoorlogen en het verzamelen van inlichtingen. Hayden vindt, net als Obama, dat Amerika een „morele verantwoordelijkheid” heeft om de strijd met IS aan te gaan. „Luchtaanvallen kunnen de infrastructuur van IS raken. Maar zonder grondtroepen kun je IS nooit verslaan. Oorlog voeren vanuit de lucht is als seks zonder romantiek. Het geeft voldoening, maar je bereikt er verder niks mee.”

Hayden kreeg bijval van Francis Ricciardone, een ervaren diplomaat in het Midden-Oosten. Volgens Ricciardione zit het strijdplan van de president vol onduidelijkheden. „Obama maakt niet duidelijk wat het einddoel is, en hoe lang hij denkt dat een oorlog gaat duren. Het bewapenen en trainen van de gematigde Syrische oppositie is cruciaal in zijn plan, maar we weten niet eens of de gematigde rebellen na drie jaar burgeroorlog nog wel bestaan.”

Bovendien, wie definieert wat ‘gematigd’ is? De Verenigde Staten hebben daar heel andere ideeën over dan Saoedi-Arabië, dat deel uitmaakt van de internationale coalitie die Obama deze week gesmeed heeft.

Ricciardione was verrast door Obama’s opmerking dat er geen grondtroepen worden ingezet. „Hij stuurt 475 extra militairen. Rond Kerst hebben we 5.000 commando’s in Syrië en Irak zitten, zonder dat de president daar open over is.”

Het belangrijkste bezwaar heeft Ricciardione tegen, wat hij noemt, de eenzijdige benadering van IS. Obama zei dat de beweging nog geen plannen heeft Amerika aan te vallen, maar dat hij dat moment vóór wil zijn. „We beperken alle problemen tot één partij, IS. We overdrijven daarmee het kwaad dat ze kunnen aanrichten. Ze zijn afschuwelijk, maar ze spelen vooralsnog geen rol buiten Irak en Syrië. Het is misleidend om het over [een gevaar voor] ons te laten gaan.”

Wereldwijde aanpak

Volgens Michael Hayden wordt IS groter voorgesteld dan de beweging is. „Het is nog geen Al-Qaeda. Ze hebben nog geen ambities om een wereldwijd terreurnetwerk te worden. Al-Qaeda koos voor een wereldwijde aanpak, ook omdat het geen eigen gebied kon veroveren. De strategie van IS is tot nu toe tegengesteld.”

Ook het progressieve Brookings Institution, een denktank die invloedrijk is bij de regering-Obama, is opvallend gereserveerd. Brookings publiceerde de reacties van acht deskundigen op de toespraak van Obama. Vrijwel allemaal waren ze kritisch. De normaal altijd onderkoelde Kenneth Pollack, een voormalige Irak-analist van de CIA, schreef fel: „Steeds maar weer beleid baseren op de canard dat Amerikanen in gevaar zijn, is op zijn best cynisch, en op zijn slechtst ronduit bedrog. We kunnen de Amerikanen daar in een middag evacueren. Bush had tenminste nog het fatsoen zijn beleid te baseren op een dreiging die iedereen geloofde.”

Angstzaaierij

Deze kritiek vindt nauwelijks zijn weg in het publieke debat. Het Congres, dat in november tussentijdse verkiezingen houdt, juicht de militaire acties toe. Het gaat de Republikeinen alleen niet snel en niet ver genoeg.

De Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, John Boehner, suggereerde het sturen van grondtroepen. In Obama’s eigen partij is er alleen kritiek van een eenzame senator uit Iowa, Tom Harkin. „Het is angstzaaierij”, zei hij. „We vallen van de ene fout in de andere.”

Obama was vijf jaar lang de anti-Bush. Diens interventiepolitiek was mislukt, zei Obama in 2011, en de Amerikaanse bevolking was na tien jaar oorlog getraumatiseerd en blut. Deze week stelden neoconservatieven uit het Bush-tijdperk tevreden vast dat Obama op zijn schreden terug aan het keren is.

Zo dook bij de conservatieve denktank American Enterprise Institute Bush’ vicepresident Dick Cheney op. Hij zei tevreden dat Obama eindelijk een realist als Bush en hijzelf aan het worden is. Hij parafraseerde eerdere speeches van Obama: „Al-Qaeda is niet verslagen, en het tij van oorlog is niet aan het keren. Je kunt het wensen, maar dan is het nog niet waar.” Terwijl Cheney sprak, verzamelden zich buiten drie anti-oorlogsdemonstranten.