Onderste boven Binnenste buiten

De documentaire Grey Gardens (1975), over twee excentrieke vrouwen in een vervallen villa op Long Island, heeft veel modeontwerpers geïnspireerd. Maar de brille van moeder (76) en dochter (54) Bouvier is niet te evenaren.

De documentaire heet Grey Gardens en wie hem heeft gezien, vindt ’m óf weerzinwekkend, óf geweldig. Madonna, Kylie Minogue en Calvin Klein zijn hartstochtelijke fans. Dirk Van Saene, een van de gastredacteuren van dit nummer, ook. Voor modeontwerpers is Grey Gardens een bron van inspiratie – waarover later meer. Want eerst moet worden vastgesteld dat Grey Gardens alles is waar de modewereld niets van moet hebben.

De film, uit 1975, geeft een indruk van het leven van een moeder (Edith, oftewel Big Edie, 76) en haar dochter (Little Edie, 54), residerend (‘wonen’ kun je dit niet noemen) in de Amerikaanse badplaats East Hampton, Long Island. Ze zijn nadrukkelijk van de leeftijd dat vrouwen ‘onzichtbaar’ worden. In de wereld van glamour en mode zijn zulke vrouwen slecht nieuws: iederéén wordt zo, maar ‘iedereen’ wil dat liever niet weten. En aan dat kiekeboespel doen de meisjes en jongens van de mode volop mee. Ze zijn hardvochtig: trekken oudere vrouwen aandacht, dan kennen die hun plaats niet.

De twee vrouwen in Grey Gardens kennen hun plaats juist wel. Maar dan een beetje anders. Ze zijn niet zomaar iemand, ze zijn een tante en een nicht van Jacqueline ‘Jackie’ Bouvier Kennedy, weduwe van president John Fitzgerald Kennedy. Hooggeboren Amerikanen dus en ‘Grey Gardens’ is de naam van hun family mansion. Het is enorm. 84 kamers groot, op een flinke lap grond. Vervallen. Door katten overwoekerd. En zo vervuild als zij verarmd zijn.

Maar dat zien zij anders. Ze zijn in een illustere familie geboren. En als het balletje even anders was gerold dan was niet Jackie presidentsvrouw geworden maar Edie – was zij niet bijna verloofd met Joe Kennedy jr., de oudste Kennedy-zoon? Joe sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. Maar stel dat hij teruggekomen was. Hij was veel intelligenter dan John F. en hij was weg van Edie. En… nou dan.

De actieradius van de film is klein. De twee hoofdpersonen komen niet verder dan het huis, met een voorkeur voor de slaapkamer die Edith en Edie lijken te delen en waar de poezen plassen op oude kranten of achter het imposante jeugdportret van Edith dat op de vloer staat. Af en toe is er een uitstapje naar de hal, de veranda, de keuken. Een keer naar de zolder. Een keer naar het lege strand dat ooit hún strand was.

Grey Gardens is een caleidoscoop. Er gebeurt niks, maar er gebeurt zo verschrikkelijk veel. En iedereen die ’m ziet, legt andere accenten, herinnert zich een andere scène of gebeurtenis als ijkpunt.

Voor mij is het de film van de vrouw die, buiten op de veranda in gefilterd zonlicht, op de weegschaal stapt en een kleine verrekijker omlaag richt om haar gewicht af te lezen. Een onvergetelijk shot met alles waar Edie en haar moeder Edith voor staan. Hun charme, hun gedachteloze lak aan conventies en hun welgemoede vindingrijkheid.

Edie koestert nog altijd Hollywoodaspiraties en haar moeder kijkt trots terug op haar bescheiden carrière als zangeres van musicalsongs. Ze hebben met de paplepel ingegoten gekregen dat een carrière in de entertainmentindustrie het hoogste is dat ze kunnen bereiken. Betere reclame voor hun familie bestaat niet.

Grey Gardens wordt gedreven door de oprechte belangstelling voor Edith en Edie van de gebroeders Albert (1926) en David (1931-1987) Maysles. In hun oeuvre is deze film geen uitzondering, dit is hoe de Maysles werken. Zo intiem is ook hun film over The Rolling Stones: Gimme Shelter (1970), over het Altamont-concert waar een Hells Angel iemand in het publiek doodstak. Zo losjes is ook hun film over de kunstenaar Christo, bezig met het project waarbij hij de Pont Neuf inpakte (Christo in Paris, 1990).

De gebroeders Maysles volgen hun impulsen. Eigenlijk hadden ze een film in de planning over Jackie Kennedy’s feeërieke halfzuster Lee Radziwill. Maar ze kwamen al researchend over de vloer bij Edith en Edie. Toen vergaten ze Lee en maakten een film over hen.

De Maysles gedragen zich niet als fly on the wall, integendeel. Weliswaar blijven ze – meestal – buiten beeld, maar ze zijn nadrukkelijk aanwezig. Edie en Edith richten zich regelmatig tot de camera, en de broers geven antwoord. Geluidsman David grijpt in als een scheldpartij hem te gortig wordt. En zet Edie ‘Lili Marleen’ in, dan zingen ze mee.

In het documentairegenre werd Grey Gardens wereldberoemd als het schoolvoorbeeld van de kracht van de zogeheten cinéma vérité. Hij werd in 2009 bewerkt tot een speelfilm, met Drew Barrymore als Edie en Jessica Lange als moeder Edith. Hij had toen al geleid tot een musical (2006), een song van Rufus Wainwright (2001, op het album Poses) en van de rockgroep Six Gallery: ‘Edie and the Marble Faun’. Op een website worden replica’s verkocht van de spullen van Edie en Edith.

De cultus hield zo aan dat Albert Maysles zich dertig jaar later geroepen voelde om een extra versie te monteren, uit het materiaal dat in de eerste film geen plaats kreeg: The Beales of Grey Gardens (2006). Achtelozer gecomponeerd. Nog tederder, nog compromislozer dan Grey Gardens. Het non-conformisme van de vrouwen komt niet voort uit pose of protest. Dit is hoe ze leven. Ze zijn relikwieën uit de verloren tijd, altijd vruchteloos op zoek naar de weg terug.

Netkousen

Achter de camera van de Maysles loop ik het verwilderde park in, tot het huis. De zon schijnt, de kronen van de bomen zeven het zonlicht. Edie komt naar buiten. Ze draagt een dralon coltruitje en een met veiligheidsspelden tot korte broek geknoopte lap. Netkousen. Haar gezicht is omlijst met de halsopening van een zwarte trui, onder haar linkerwang vastgezet met een grote vergulde broche.

This is the best thing to wear for the day”, zegt ze, tegen de Maysles, tegen mij. En: „I have to think these things up, you know.”

Nu lacht Edie het kelige lachje van the southern belle. Ze flirt met de Maysles. Ze klaagt erover dat ze 23 jaar geleden haar kamer in het Barbizon Hotel in New York moest verlaten, omdat „mother de kruidenier niet meer kon betalen”. Ze verbaast zich over klachten uit de buurt over de toestand van het huis, over stank, over de vele katten. Die types hebben zelfs geprobeerd haar moeder eruit te laten zetten.

Blanche, denk ik. Ik hoor Blanche, uit het toneelstuk A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams. Maar dan Blanche vóór het stuk begonnen is, dus vóór ze berooid in New Orleans aankomt om de boel bij haar zusje uit te vreten, nadat ze het familiehuis Belle Reve (een huis als Grey Gardens) op heeft moeten geven. Zelfs Blanches ongelukkige affaire met een homoseksuele jongeman die zelfmoord pleegde, overkwam ook Edie: „Eugene was nog maar 32. En van heel goede familie.”

Het enige dat Blanche en Edie wisten te redden, zijn hun standsgevoel en hun herinneringen. Verder zijn ze afhankelijk van ‘the kindness of strangers’, de vriendelijkheid van vreemden, in de hartverscheurende woorden van Tennessee Williams.

Edies geluk is dat die ‘strangers’ de Maysles zijn, en die zijn oprecht vriendelijk. Ze houden van haar. Ze houden van haar moeder. Ze nemen hen zoals ze zijn en dat leidt tot onwaarschijnlijke incidenten en weergaloze beelden. Zoals moeder Edith die vanonder een enorme strooien hoed ‘Tea for Two’ zingt. In bed en krakkemikkig, maar je ziet haar terugschieten in de tijd. Haar craquelé gezicht wordt meisjesachtig, haar gebaren groot. Schalks laat ze haar stem extra de hoogte in schieten, zoals vroeger, toen ze nog recitals gaf.

Zonder gêne. Dat hoeft ook helemaal niet, de Maysles staan per definitie aan haar kant, en aan die van haar dochter.

Maar houdt zij nog een soort schijn op, haar dochter weigert dat, met haar compromisloze outfits als bewijs. Zo bijzonder kleedt ze zich dat ze een stijlicoon werd en een voorbeeld voor verschillende designers.

Wat draagt ze dan? Ze koopt nooit iets. Ze kleedt zich met wat ze her en der heeft gevonden in de kasten en kisten van Grey Gardens.

Ze fluistert: „I don’t like skirts.” Daarom trekt ze haar rokken ondersteboven aan. Of ze herformuleert een vest tot rok. Of ze snoert een batisten tafelkleed om haar heupen, van voren valt het open in een grandioze split. Ze drapeert, ze knoopt, ze speldt. Ze maakt van vodden exotische kledingstukken die ze met verve draagt. Trouwens, de nieuwe rode avondjurk die de gebroeders Maysles haar schonken voor de première van de film, droeg ze achterstevoren.

Edie verzint iets, en nooit vraagt ze zich af of het ‘kan’. Er zijn geen do’s, geen don’ts, geen musts. Op één vast gegeven na: ze bedekt altijd haar hoofd van kruin tot kin. Blijkbaar is ze kaal, al zie je dat nooit echt. Ze onttrekt haar schedel aan het zicht. Met een stijve zwarte lap katoen. Met een rode kasjmier shawl die over haar schouders golft. Met een babyblauwe handdoek. Een sweater. Een kussensloop. En altijd komt haar romige gezicht met de rijpe sproeten prachtig uit.

Edie zet alles waar mode voor staat op zijn kop, en nogal wat ontwerpers zijn weg van haar revolutionaire styling. Ze lieten zich inspireren door Edies geknoop, gespeld en gedrapeer. Ze ontwierpen de mooiste scheve jurken en de onverwachtste truitjes-van-niks. Ze wikkelden de hoofden in elegante todden. Maar hoe prachtig het resultaat ook is, meer dan eens missen ze de essentie. Bijvoorbeeld als ze de op Edie geïnspireerde kleding laten zien op modellen die in de wandeling boys with tits heten. Sprietmager en piepjong. Ideaal als je als ontwerper je creaties goed wilt laten uitkomen. Maar op hun prille lijven valt de Edie-dracht weg. Daarvoor moet je boven de vijftig zijn. Zelfbewust, exhibitionistisch. Ongeduldig. De brille van Edies non-conformisme is aan hen niet besteed.

De documentaire Grey Gardens gaat zijn laatste minuten in. Moeder Edith dut in, met de poezen om zich heen. Op de draaitafel ligt Night and Day van Fred Astaire. Half slapend neuriet ze mee.

In de hal danst Edie. Gehuld in zwart kant, met groene linten om haar enkels.