Ik ben heel trots want mijn idee leeft voort

Geen voetballer is zo vereenzelvigd met een handeling als Panenka met zijn penalty. „Het was duizend procent zeker dat hij er in ging.” Op bezoek in Praag.

Antonin Panenka: ‘Pelé zei ooit: alleen een idioot of een genie neemt een penalty zo. Laat ik zeggen: ik ben geen idioot, ik wist heel goed wat ik deed.’ Foto Colorsport/Olympia

Antonin Panenka (65) wordt er niet moe van. En als hij dat wel is, houdt hij het in ieder geval goed verborgen. Nog heel even dan over die penalty? „Kein Problem”, zegt hij als het gesprek na tien minuten langzaam richting het wereldberoemde voetbalmoment op het EK 1976 schuift. Hij kon er op wachten. Geen voetballer is zo vereenzelvigd met een handeling als hij. Vaak geïmiteerd, maar Panenka was – denkt hij – de eerste die het zo deed. Zeker op zo’n podium. Is hij er eigenlijk rijk door geworden? „Nee. Maar als ik een [Tsjechische] kroon had gekregen voor elke keer dat ik ernaar gevraagd werd, dan was ik miljonair geweest.”

Het is het lot van mannen die – letterlijk – een begrip werden in hun sport. Fosbury-flop, Panenka-penalty. Hij weet waartoe hij op aarde is, wat de mensen willen horen, willen zien. Beroemd om één ding, dus elke keer weer opnieuw de vragen, vaak dezelfde. Het maakt hem niet uit. Integendeel. Sergio Ramos van Spanje scoorde deze week tegen Macedonië vanaf elf meter met een lullig boogje en dan gaat de naam Panenka weer de wereld over. „Ik ben heel trots. Mijn idee leeft voort, elke keer als een speler een penalty zo neemt als ik dan wordt mijn naam weer genoemd. Hele grote spelers hebben het ook gedaan: Pirlo, Totti, Zidane. Daar ben ik gelukkig om. Het idee is niet gestorven, dat vind ik heel mooi.”

Panenka is cult. De snor, het stiftballetje, het Oostblok. „Eén van de grootste cultlegendes in het voetbal”, vindt Tom Bodde van Panenka Magazine. Deze week verschijnt in Nederland de eerste editie van dit blad over voetbalromantiek en fancultuur. De naam voor het tijdschrift was snel gevonden, zegt Bodde, waarna een gesprek met de legendarische penaltynemer volgde afgelopen zomer. Daar ervoer hij de charme van de eenvoudige mens Panenka. „Hij maakte tijd voor iedereen Tsjechen hebben sowieso niet veel op met heldenstatus.”

Is hij een grote der aarde? De Tsjech speelde benefietwedstrijden met supersterren in wereldelftallen, maar blijft benaderbaar als de erevoorzitter van een kleine club die hij is. Om half vier stipt – zo was het ook afgesproken – stuurt Panenka zijn grijze Skoda naar de parkeerplaats bij stadion Dolicek in Praag. Aan twee kanten is het stadion open, waardoor bewoners van omliggende panden als het ware altijd gratis kunnen kijken. Hier speelt Behomians 1905 zijn thuiswedstrijden, de club waar Panenka tot zijn 32ste voetbalde en nu voorzitter van is.

Aan de weg langs het stadion prijkt zijn gezicht op een billboard van de lokale partij Pro Praag. Panenka heeft zich verkiesbaar gesteld voor de senaatsverkiezingen komende maand, als afgevaardigde voor het district Praag 10. Na het interview trekt hij de wijk in om te flyeren in zijn lichtblauwe blouse, donkerblauwe spijkerbroek. Helemaal één met het volk. Zijn boodschap concentreert zich uiteraard rond sport. Kinderen hebben in Praag volgens hem te weinig toegang tot sportfaciliteiten. „Ik weet dat er grotere problemen zijn in onze samenleving”, stelt hij in een boodschap op de site van zijn partij. „Maar je moet problemen aanpakken, voordat ze erger worden.”

Nooit meer zoiets moois

Het is maandag, de dag voor het EK-kwalificatieduel Tsjechië–Nederland (2-1). Panenka toont zich pessimistisch over de staat van het voetbal in zijn land. Hij mist creativiteit zoals die van hemzelf, of de brille van Karel Poborsky en diens lob tegen Portugal op het EK 1996. „Ik ben bang dat nu en in de toekomst nooit meer zoiets moois voorbij komt. Voetbal in de Tsjechische competitie en in het nationaal elftal is doorsnee. Minder zelfs nog. Spelers zijn sterk, goede lopers, goede conditie. Maar met de bal zie ik geen verrassing. Het is niet meer wat het geweest is. Het is nu genoeg als je sterk bent en hard kan lopen.”

Precies zo’n speler was Panenka dus niet. Oud-spits Zdenek Nehoda, teamgenoot in het Tsjechoslowaakse elftal dat in 1976 Europees kampioen werd, zegt desgevraagd dat zijn oude makker „een handige speler” was. „Maar hard werken? Nee. Hij was een ander soort. Hij speelde ook niet altijd in het nationale team. Ik wel. Ik was ook vele jaren aanvoerder. Hij speelde drie, vier jaar echt heel goed.” Panenka kan er wel om lachen. „Dat klopt wel. Maar pas op: ik hield van voetbal, ik leefde ervoor. Dat was genoeg.”

Die liefde voor voetbal, ja. Het bracht hem er toe eindeloos strafschoppen te nemen tegen de toenmalige doelman van Bohemians. Wedstrijdjes werden weddenschappen. Hij bedacht een manier om de keeper te foppen. Een ruime aanloop, in alles de schijn wekken dat je hard in een hoek schiet en dan tergend traag de bal door het midden stiften. Eén voetbeweging die in de jaren daarna vol zou worden gehangen met gewichtige betekenis. Een uiting van Tsjechische dissidentie. Van Praagse kunstzinnigheid, van ondraaglijke lichtheid. De kracht van het individu in een barre tijd van collectivisme.

Hoe dan ook: zijn pingel zou hem op het EK in 1976 in Joegoslavië onsterfelijk maken. „We waren de grote outsider. Niemand geloofde dat we het konden, maar dat was ons voordeel”, zegt Panenka aan een bar onder de hoofdtribune. „Na de overwinning op Nederland in de halve finale waren we al geweldig, dat had niemand verwacht. Op weg naar het toernooi hadden we Engeland verslagen, Portugal, Sovjet-Unie. We waren een ontspannen ploeg, er werd veel gelachen. Maar we waren ook een beetje een zonderling elftal. We hadden een ander politiek systeem, voor ons had dat nadelen. We hadden geen supporters, die mochten niet mee. Bij ons waren alleen twintig mensen van de bond mee. En verder nog één fotograaf en twee journalisten. Meer niet!”

Voor schut

Panenka had nooit de bedoeling om Sepp Maier voor schut te zetten. Maar de keeper van West-Duitsland is voor altijd de doelman die voor niets naar een hoek dook en, toen hij zich omdraaide, de bal in het net zag dwarrelen. Het had ook zomaar Piet Schrijvers kunnen overkomen. In de halve finale tegen Nederland kroop de verlenging richting het eind bij een 1-1 stand. Panenka dacht zijn speciale penalty die druilerige avond in Zagreb al in de praktijk te kunnen brengen, maar zover kwam het niet. Nehoda en Frantisek Vesely brachten Oranje voordien op de knieën: 3-1.

Panenka moest nog vier dagen wachten. De Duitser Bernd Hölzenbein maakte in de finale vlak voor tijd de 2-2 en de verlenging verstreek zonder goals. In de penaltyserie schoot Uli Hoenness huizenhoog over. Panenka liep naar de stip, Maier stond met de rug naar hem toe. „Ik weet niet meer waarom, maar ik had de bondscoach [Vaclav Jezek, voormalig ADO- en Feyenoordtrainer] gevraagd of ik als laatste van de vijf een penalty mocht nemen. Hij wist heus wel wat ik ging doen, iedereen wist het in ons team. Ik had het al twee, drie keer gedaan in de competitie. Een maand voor het EK zelfs nog tegen onze doelman van het nationale elftal, Ivo Viktor. Het kon niet fout!”

En het ging dus ook niet fout. Hij keerde terug naar Tsjechoslowakije, ondanks internationale belangstelling voor de lepe middenvelder. Maar onder het communistische regime verbood de voetbalbond transfers voor spelers jonger de 32 met minder dan vijftig interlands. Emigreren was de enige optie. „Maar dat wilde ik niet, want dan zou ik niet meer terug kunnen komen”, zegt Panenka nu.

Na het EK 1980 in Italië, waar Tsjechoslowakije derde werd, stonden clubs volgens Panenka weer in de rij. Maar het zou nog drie maanden duren voor hij – in dezelfde maand – 32 werd en zijn vijftigste interland speelde. Eindelijk, in de herfst van zijn carrière, kon hij naar het buitenland: het werd Rapid Wien uit Oostenrijk. „Ik was pas de vierde uit mijn land die naar het buitenland ging.”

Toch, wat als? Hoe anders had zijn leven gelopen als hij had gemist? Panenka zou ooit gezegd hebben dat hij dan in de uraniummijnen te werk zou zijn gesteld. „Dat kan ik me niet herinneren. Tja, wat zou er van me geworden zijn als ik had gemist? Dan was ik nu waarschijnlijk machinebankwerker geweest met dertig jaar ervaring.” Hij lacht. En dan weer ernstig: „Wat me wel beangstigd heeft is wat ik later hoorde van mensen in het politieke circuit. Dat als ik niet had gescoord ik problemen zou hebben gekregen, omdat ik het politieke systeem, de communistische ideologie, zou hebben beledigd. Het was een andere tijd.”

Van moed wil hij niet spreken. Ja, het was gedurfd, maar falen was geen optie. „Pelé zei ooit: alleen een idioot of een genie neemt een penalty zo. Laat ik zeggen: ik ben geen idioot, ik wist heel goed wat ik deed. Niemand buiten Tsjechoslowakije had ooit zo’n penalty gezien of genomen. En ik had wel duizend keer geoefend. Daarom was het niet 100 procent zeker dat ik ’m zou maken. Het was 1000 procent zeker.”