Het ongelijk van Piketty

Het is niet de scheve verdeling van kapitaal die tot ongelijkheid leidt, zegt politiek econoom James Robinson. Het is de mate waarin burgers gelijke kansen krijgen.

De Chinese president Xi Jinping (voorste rij, vierde van links – hier tijdens een bijeenkomst van de Communistische Partij) zal er hoogstwaarschijnlijk niet in slagen de concentratie van de politieke macht in de hand te houden. Dat zal gevolgen hebben voor de economische groei van China. Foto rechts:Autofabriek in Shenyang. Foto’s Bloomberg (links) en Reuters

Achter het katheder in de Raadszaal van de Utrechtse universiteit stond bij de opening van het academische jaar vorige week een coryfee: James Robinson, hoogleraar politieke economie aan Harvard. Twee jaar geleden publiceerde hij samen met zijn collega Daron Acemoglu de bejubelde bestseller Why Nations Fail. Daarin lieten zij met een schat aan empirisch materiaal uit verschillende continenten en historische perioden zien dat rijkdom of armoede van een land niet zijn te verklaren uit algemene economische wetmatigheden, maar uit de aard van zijn instellingen. Zijn die ‘extractief’, gericht op het onttrekken van hulpbronnen aan de samenleving door een kleine machtselite, dan vormen ze een beletsel voor economische ontwikkeling op lange termijn. Alleen ‘inclusieve instituties’– ruime toegang tot onderwijs en de markt, autonome organisaties van vrije burgers, onwrikbare eigendomsrechten, een combinatie van politiek pluralisme en een sterke overheid – spreiden economische prikkels en kansen breed over de samenleving en bieden zo uitzicht op gestage groei.

In Utrecht verweet Robinson een andere coryfee geen oog te hebben voor de rol van instituties. Dit voorjaar veroverde de Franse econoom Thomas Piketty de wereld met zijn boek Le Capital au XXIe siècle. Daarin voorspelt hij een toekomst die wordt gedomineerd door het kapitaal en zeer rijke kapitaalbezitters. Hij formuleert een ‘fundamentele wet’: op de lange duur overtreft het rendement van kapitaal (de reële rentevoet r) de economische groei (g) en daarmee neemt de ongelijkheid toe. Instellingen zouden daarbij geen rol spelen. Zo schrijft Piketty: ‘De fundamentele ongelijkheid r > g verklaart de zeer grote vermogensongelijkheid die we zien in de 19de eeuw, en daarmee in zekere zin het falen van de Franse Revolutie. [...] De formele aard van het politieke bestel was van geringe betekenis vergeleken met de ongelijkheid r > g.’

Piketty’s lezers, zei Robinson, raken licht onder de indruk van de stortvloed aan data die hij aanvoert ter ondersteuning van zijn beweringen. Maar – een stevig verwijt – „hij houdt zich niet bezig met het testen van hypothesen, statistische analyse van causaliteit of zelfs van correlatie.”

Zijn belangrijkste bezwaar geldt Piketty’s verwaarlozing van instellingen en politiek. Aan de hand van Zweden en Zuid-Afrika liet Robinson zien dat veranderingen in ongelijkheid niet zozeer gehoorzamen aan de dynamiek van (r – g) maar aan veranderende politieke krachtsverhoudingen en overheidsinterventies in de economie. Opkomst en ondergang van het Zuid-Afrikaanse apartheidsysteem, met zijn restricties voor zwarte arbeidskrachten, en de vakbonden en sociaal-democratische regeringen van Zweden hadden veel meer effect op de inkomens- en vermogensverdeling dan een veronderstelde autonome ontwikkeling van rente en groei.

In een gesprek na afloop van het seminar ging Robinson nader in op het belang van instituties voor economische ontwikkeling. Te beginnen in China, geen land dat opvalt door de inclusiviteit van zijn instellingen, maar wel door zijn al decennia snel groeiende economie. Robinson: „In 1978 herstelde Deng Xiaoping het boereneigendom en de markt. Daarmee voltrok hij precies de overgang van extractieve naar veel inclusiever economische instellingen. De economische groei van China is helemaal op gang gebracht door deze overgang. Prikkels, kansen, afschaffen van prijscontroles, mensen hun eigen beslissingen laten nemen, met een enorme stijging van de arbeidsproductiviteit als gevolg. Dit patroon werd in de jaren 80 uitgebreid van de landbouw naar de maakindustrie.”

Dan is het vervolgens de vraag hoe dit valt te combineren met de sterk geconcentreerde controle door de Chinese Communistische Partij. Robinson: „In ons boek noemen Acemoglu en ik dit ‘extractieve groei’. In de wereldgeschiedenis zijn hier veel ervaringen mee. Het is niet vol te houden en eindigt altijd in een crash. Een voorbeeld. De eerste president van het onafhankelijk Tunesië was Habib Bourguiba. Hij wilde zijn land ontwikkelen. Hij investeerde in onderwijs, hij ontwikkelde een nationale identiteit door af te rekenen met tribalisme, en de economie groeide als kool. Uiteindelijk werd hij aan de kant gezet door zijn premier, Ben Ali. Die was niet geïnteresseerd in ontwikkeling, hij had meer belangstelling voor stelen, voor zichzelf en zijn familie. Eerst was het 5 procent, toen 10 procent, enzovoort. Onder Bourguiba kende Tunesië 30 jaar lang economische groei, maar die was niet houdbaar gezien de grote concentratie van politieke macht. Het kan decennia lukken, maar er is geen enkele garantie dat dit doorgaat.

„Geconcentreerde politieke macht zal uiteindelijk worden misbruikt ten nadele van de economie. Op dit moment eigenen Chinese elites zich miljoenen en miljoenen toe in de vorm van steekpenningen van zakenlui. De nieuwe eerste man, partijleider en president Xi Jinping, doet zijn best om dit in de hand te houden, maar het is heel onwaarschijnlijk dat hij daarin zal slagen.

„Een alternatief scenario is dat het systeem opengaat, democratiseert en meer inclusieve politieke instellingen creëert. Zuid-Korea kende in de jaren 60 onder generaal Park ook een vorm van extractieve economische groei. Dat land heeft die groei kunnen volhouden omdat het in de jaren 80 en 90 de overgang maakte naar een veel inclusiever politiek systeem. ”

Hoe zou u het Rusland van Poetin willen kenschetsen in termen van instituties?

„Dat is een voorbeeld van een mislukte overgang naar inclusieve instellingen. In de jaren 90, toen de Sovjet-Unie was ingestort en Boris Jeltsin aan de macht kwam, is een poging ondernomen om de politieke en economische instellingen inclusiever te maken. Dat is grotendeels mislukt. Uiteindelijk heeft zich opnieuw een extractief politiek systeem geconsolideerd.”

Welke rol speelden de zogenoemde oligarchen daarbij?

„Zij zijn op een ingewikkelde manier belangrijk. De schepping van de oligarchen was een politieke strategie van Jeltsin in de jaren 90. De privatisering waarbij staatsactiva werden verkocht aan gewezen apparatsjiki was in feite een deal, want daarna financierden zij Jeltsins verkiezingscampagne. Electorale overwegingen op de korte termijn kregen voorrang boven ontwikkeling van een verstandiger model. Interessant aan de oligarchen is dat zij het afscheid van het socialisme grotendeels van zijn legitimiteit hebben beroofd. De Russen zeiden: is dit nu kapitalisme? We hebben ons ontdaan van de Sovjet-Unie en dit is wat we ervoor in de plaats krijgen? De oligarchen waren corrupt en heel impopulair. Wat deed Poetin? Oligarchen die zich inlieten met de oppositie pakte hij keihard aan. Zoals Michail Chodorkovski, bestuursvoorzitter van het inmiddels insolvente olieconcern Joekos. Dat Poetin Chodorkovski in de gevangenis liet gooien en oligarch Boris Berezovksi het land uit joeg, kreeg veel bijval in Rusland. Maar intussen was het kwaad geschied. De industriële sector die in 1990 bestond, is in wezen ingestort. Wat Rusland nu nog heeft is een grote rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. En die houdt corruptie en parasitair gedrag in stand.”

Wat leert jullie belangrijkste conclusie – alles draait om instellingen – nu voor beleid? Instellingen ontstaan uit de interne dynamiek van een samenleving. Je kunt ze niet voorschrijven, als een recept.

„Nee, dit inzicht leent zich niet voor beleidsadvies. Neem Oekraïne. Waarom valt dat land uit elkaar? Het probleem had kunnen worden opgelost met andere instellingen, door erkenning van de autonomie van de Russische bevolkingsgroep, door de schepping van een federaal systeem. Wat er ginds gebeurde, is dat democratie de stoot gaf tot een extreem partijdige, gepolariseerde competitie, waarin je met 51 procent aan de rest oplegt wat jij wilt.

„Wat deden de Oekraïeners toen ze Janoekovitsj eruit gooiden? Ze overwogen het Russisch af te schaffen als nationale taal. Waarom? Wel, je kunt je een wereld voorstellen met andere politieke instellingen met checks en balances, met meer autonomie voor het Russisch-talige oosten en de Krim. Waarom kozen ze daar niet voor? Het was een politieke rekensom. Dat hadden ze kunnen doen, maar dan hadden ze de Russische bevolkingsgroep meer macht gegeven, en dat wilden ze niet, want Oekraïeners moeten het land besturen. Het is de uitkomst van een politiek proces. En dan kun je zeggen: ik ben hoogleraar aan Harvard. Luister, met andere instellingen zullen de Russen geen burgeroorlog beginnen. Maar dat is niet relevant.”

Denkt u dat democratie, als onderdeel van meer inclusieve instellingen, kan worden geëxporteerd? Nog niet zo lang geleden dachten leiders in Groot-Brittannië en de VS dat dit mogelijk was.

„Je kunt het wel proberen, maar zelfs als je erin slaagt iets op te bouwen dat lijkt op een democratie zal dat vaak onvolmaakt zijn. Kijk naar de democratiseringsprocessen in Afrika in de jaren 90. Er was toen een ware golf van nieuwe meerpartijsystemen. In veel gevallen lieten dezelfde oude leiders zich herverkiezen. Op andere plaatsen is er wel iets bereikt, zoals in Ghana. Van belang is te begrijpen dat als je een welvarende samenleving wilt opbouwen in een arm land, democratie maar een onderdeel is, en niet eens het belangrijkste. Neem Zuid-Soedan. Daar bestond een heel democratische traditionele samenleving, maar die kende geen staat. Dus daar is het bouwen aan een staat veel belangrijker dan verkiezingen.”

De lidstaten van de Europese Unie hebben inclusieve instellingen. Toch zeggen sommige economen dat heel Europa te maken krijgt met een langdurige periode van geringe groei.

„Dit viel te verwachten. Deze economieën vormen de voorhoede van technologische vooruitgang in de wereld. Je groeit alleen door te investeren in innovatie, en dat betekent lage groeicijfers. Tijdens de eerste Industriële Revolutie groeide Engeland veel langzamer dan nu. Natuurlijk groeien landen als China ongelooflijk snel, maar dat is een inhaalmanoeuvre. Zij doen het makkelijke werk. Hier gebeurt het moeilijke. Groei zal hier langzaam gaan. Dat is niet zorgwekkend, het is onvermijdelijk.”