Het begrijpen komt later pas

Wim Brands (55), vooral bekend als presentator van het VPRO-programma Boeken, is ook dichter. Zijn nieuwe bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee bevat ook een brief over zijn vader. „Mijn ouders waren twee volslagen idioten.”

Tekst Jessica van Geel, foto Andreas Terlaak

Noordzee

„Ik was met mijn vrouw en kinderen op vakantie toen ik iemand aan de lijn had die met me wilde afspreken. Ik zei dat is goed, maar ’s middags zwem ik in de Noordzee. Ik vond dat zo’n goede zin. Dat is de titel, dacht ik. Toen moest ik er nog een gedicht bij schrijven en uiteindelijk is het deze bundel geworden. Dichten is associëren. Zoeken. Mijn gedichten zijn allemaal fictie en tegelijkertijd ook niet. Een vriend van me, Erik Bindervoet, de helft van het duo dat het werk van James Joyce vertaalt, zegt altijd: poëzie is geen fictie. Je haalt overal dingen vandaan die je hebt gezien of meegemaakt en zet die in een ander licht.”

Betekenis

„Ik geef les op de schrijversvakschool in Amsterdam en ik heb de studenten wel eens portretten laten zien van mannen en vrouwen. Zes prachtige foto’s uit een fototijdschrift. Ik wist wat die zes gemeen hadden, maar je hoefde dat niet te weten om die foto’s mooi te vinden. Ik heb toen gevraagd wat de overeenkomst was. Een student zei: het lijkt wel of ze net iets te horen hebben gekregen. Iemand anders zei: nou, er is iets in die familie gebeurd. Misschien is er wel iemand doodgegaan. En wat had de fotograaf nou gedaan? Die had zes mensen gefotografeerd van wie de moeder kort daarvoor was overleden. De betekenis van de foto’s ervaar je. Net als poëzie. Het is niet ingewikkeld. Op de middelbare school ben je geterroriseerd door opdrachten waarbij je de bedoeling van de dichter moest achterhalen. Je bent daardoor als lezer tot de tanden toe bewapend. Maar poëzie wordt als muziek aan je meegedeeld, het begrijpen komt later pas.”

Vader

„In de bundel zit ook een brief over mijn vader. Ik ben die gaan schrijven voor een project van de Ikon: Brieven aan mijn jongere ik. Mijn vader was een zware epilepticus en hij had een ongelofelijk, echt verschrikkelijk huwelijk met mijn moeder. We zijn niet mishandeld of zo, maar wáren we maar mishandeld. Die twee hadden altijd oorlog met elkaar. Mijn broer en ik hebben daar heel veel last van gehad. Mijn jeugd was een hel. Ik kom uit een gehucht, Voorstonden bij Zutphen. Op een Hemelvaartsdag ging ik met mijn vader fietsen. Ik was achttien. Hij was in die tijd heel gespannen met twee opgroeiende pubers en die epilepsie kwam voordurend terug. Het was heftig hoor. Hij is weleens tussen de trein en het perron gevallen, hij viel van stoelen, ladders. Die ochtend viel hij van zijn fiets, de sloot in. Ik stond erbij en zag: hij gaat niet verdrinken en toen ben ik door gefietst. Onbarmhartig was dat. Pas toen ik die brief schreef, bedacht ik dat ik me er niet schuldig over hoefde te voelen. En ik tik over mijn jongere ik: ‘hij vlucht niet, hij ontsnapt’.”

Wandelend excuus

„Mijn ouders waren twee volslagen idioten. Mijn vader was fabrieksarbeider maar hij had politieagent willen worden. Twee keer per jaar werd hij opgeroepen als reservist en dan slingerde hij het liefst buurtgenoten op de bon. Erg populair waren we niet. Uiteindelijk heeft hij zelfmoord gepleegd. Mijn moeder zie ik al heel lang niet meer. Dat lukt op de een of andere manier niet meer. Mijn broer ziet haar nog wel. Hij heeft de brief over mijn vader gelezen en vond hem mooi. Of mooi, dat is het woord niet... Hij vond hem confronterend. Ik schrijf over mijn broer dat hij een wandelend excuus is geworden voor dingen waarvoor hij zich niet hoefde te schamen. Hij heeft mijn vader een keer uit het vuur gesleept en geblust en is er toen voor gaan staan zodat andere mensen hem niet konden zien.”

Gestorven in het bad

„Er is een groepje dichters dat gedichten maakt voor overledenen die geen familie of vrienden hebben. Daar doe ik aan mee. Aangrijpend is dat. Je hebt dan alleen de dragers, de organisator van de Eenzame Uitvaart en ik. Ik lees het gedicht, er is muziek en dan ga je naar de plek waar degene begraven wordt en je gooit een schep zand op de kist. Het is ook bijna onmogelijk om te doen. Je weet bijna niets. Van een vrouw wist ik dat ze in bad was gegaan, stierf en twee weken later door haar onderburen werd ontdekt. Kraan had niet helemaal dicht gestaan. Ik moest aan mijn overleden oma denken. Ze was kort na de Eerste Wereldoorlog als dienstmeisje vanuit Duitsland naar Nederland gestuurd, dertien jaar oud. Ze vertelde mij veel verhalen over die tijd, hoe ze alleen door de stad wandelde. Zo zag ik die vrouw ineens ook, dolend door de mensenmassa. Bij de slager of bakker zie je soms ook iemand die jou voor laat gaan omdat hij om een praatje verlegen zit. Die elementen koppel ik dan aan elkaar in het gedicht.”

Koplampen

„In mijn interviews voor radio en televisie probeer ik zo dicht mogelijk bij een goed gesprek te blijven. Op de radio heb ik geleerd goed te luisteren en tegelijkertijd te denken: ik wil straks nog wel over dat andere onderwerp spreken. Tv is veel dwingender. In het begin vond ik het lastig, ik werd er een beetje onzeker door. Die macht van de camera. En je eigen hoofd. Ik weet dat ik kan kijken alsof ik door de koplampen gevangen ben, dat heb ik nou eenmaal als ik nadenk. Wim T. Schippers, de man van mijn regisseur Ellen Jens, kwam de derde uitzending die ik maakte langs en zei: dit is een leuk programma. En één ding, zei hij, je moet gewoon zo doorgaan. Het komt vanzelf wel goed. Gewoon proberen een gesprek te voeren op de manier waarop jij dat wilt en je niets aantrekken van wat ze je nu gaan toeroepen. Ik verdenk Ellen er nog steeds van dat ze hem expres liet langskomen om mij op te beuren, maar hij meende het ook.”

DWDD

„Adriaan van Dis heeft een heel goed gelukt programma gemaakt. Alle boekenprogramma’s daarna zijn mislukt omdat ze daar een soort kermis omheen hadden bedacht. De boekenclub van De Wereld Draait Door, ach, ik heb er niet zoveel bezwaar tegen. Mijn broer is geen lezer en hij heeft laatst dan toch een paar boeken gekocht omdat die waren besproken in het boekenpanel. Dat is mooi. Ik veroordeel het dus niet. Als je in mijn hart kijkt – en dan hoef je niet eens zo diep te kijken – vind ik het wel een beetje onzin. Een roman kun je niet in een paar minuten tot wat slogans reduceren. Voortreffelijk! Gevoelig! Soms wordt er ook gewoon evidente onzin beweerd. Het boek Kind onder kannibalen van Bukowski werd een coming of age-roman genoemd. Maar dat is het helemaal niet. Het is alsof je iemand die niet weet wat een buitenspelfout is een voetbalwedstrijd laat analyseren. Het is een verschrikking.”

René Gude

’s Middags zwem ik in de Noordzee heb ik aan René Gude opgedragen, denker des vaderlands. Hij is een vriend. Hij heeft ooit botkanker gehad en dat is teruggekomen, waardoor zijn been is afgezet. De verwachting is nu dat hij nog tot november heeft. Ik heb voor omroep Human twee lange gesprekken met hem gevoerd over de dood. En deze zomer maakten we samen een boekje op basis van die gesprekken: Doodgaan is eenvoudig, iedereen kan het. Een titel die hij heeft bedacht. Het is niet alleen de dood die we bespreken, het gaat ook over zijn leven, zijn levensfilosofie. René denkt heel helder en hij is een van de blijmoedigste mensen die ik ken. Toen de schrijver Frans Kellendonk stierf, zei hij: remember my name, not my fate. Dat wil ik ook voor hem.”