Google laat stukken uit NRC ‘verdwijnen’ - maar waarom?

Bent u al vergeten door NRC Handelsblad? Het Europees Hof van Justitie bepaalde in mei dat Europese burgers Google kunnen verzoeken online artikelen waarin zij voorkomen, onvindbaar te maken als die onjuist of niet meer relevant zijn. Dat is het ‘recht om te worden vergeten’.

Sindsdien regent het verzoeken bij Google, de teller staat nu op ruim 90.000. Ongeveer de helft daarvan wordt volgens de zoekmachine ingewilligd.

Hoeveel daarvan raken deze krant?

Ik vroeg de webredactie een lijstje van artikelen die inmiddels door Google ‘onvindbaar’ zijn gemaakt. Dat lijstje, mogelijk nog onvolledig, bevat elf stukken of stukjes die één overeenkomst hebben: de krant zou ze, op een enkele uitzondering na, zelf nooit verwijderen.

Google is overigens ook ongelukkig met de uitspraak van het Hof van Justitie en gaat nu op tournee door Europa, op zoek naar draagvlak en vooral helderheid over de criteria die het bedrijf moet gebruiken. Dat lijkt me hard nodig.

Eerst even over dat ‘onvindbaar maken’ en ‘verwijderen’: die termen dekken feitelijk niet de lading. Wat Google doet, op verzoek, is het bewuste artikel niet meer tonen wanneer dat met een specifieke combinatie van zoektermen wordt gezocht. Stel dat ik een voor mij pijnlijk stukje (uit vele) wil laten verdwijnen op de zoekterm ‘ombudsman’, dan kunt u het nog steeds vinden op mijn naam. Het artikel wordt niet uit de index van Google verwijderd. Bovendien geldt de maatregel alleen voor Google Europa, dus als u zoekt via Google Amerika vindt u het óók nog steeds gewoon. Tip: knip dit stukje vast uit en lijm het op stevig karton. Je weet maar nooit.

Lastig voor de krant is daarbij dat Google maar heel summier laat weten dát de links naar een artikel verbroken zijn, niet precies waarom en al helemaal niet op wiens verzoek. Dat maakt het proces extra ondoorzichtig. Zo meldde BBC-journalist Robert Peston in juli dat hij van Google te horen had gekregen dat een column van hem uit 2007 ,,helaas’’ niet langer werd getoond. Maar op wiens verzoek? In het stuk werd één individu genoemd, maar als Peston die naam googelde, dook het stuk nog steeds op; er moest dus iemand anders achter het verzoek zitten. Mogelijk een van de reageerders ónder het stuk.

Alsof journalisten nog niet paranoïde genoeg zijn.

Dan het voorlopige lijstje. Het gaat om 6 artikelen, 2 weblogs en 3 reacties onder een stuk op de site.

Ronduit curieus is het ontkoppelen van het stuk Hoe zet je de oprichter zijn bedrijf uit? (2 november 2001), over een onvriendelijke machtsovername in een ICT-bedrijf. Kwalijk, want de krant zou dat stuk zelf nooit verwijderen. Maar ook hier is compleet onduidelijk waaróm het is gebeurd: wie zoekt op de namen van de hoofdrolspelers in het verhaal vindt het stuk gewoon terug.

Een ander verhaal betreft een interview met een PVV-stemmer uit Gouda (PVV-stemmers, 24 september 2009), die kennelijk spijt kreeg van zijn politieke bewustwording. En dan zijn er verhalen over – uiteraard – religie en islam: een discussie op school over de Deense cartoonrellen (Veel praten over de cartoons, dat is genoeg, 10 februari 2006), bidplekken in bedrijven (Steeds meer bedrijven bieden bidstonden, 7 december 2002). Ook een mbo-opleiding (De digitale spoorzoeker, 10 februari 2007) en een stuk over een particuliere belegger (Het kan verslavend zijn, 16 maart 2002) moesten eraan geloven.

In de meeste gevallen is duister op welke zoektermen die stukken onvindbaar zijn gemaakt. Het artikel over de PVV-stemmer duikt niet meer op als je alleen zoekt op zijn naam, maar wel weer gewoon als je de zoekterm ‘nrc’ bij zijn naam voegt. Dat u, of hij, het maar weet.

Ook twee weblogs zijn kopje onder gegaan, dat waren twee discussies op de site. Begin ’s ochtends een uur later met de les (18 maart 2010) over onderwijs en, tikje controversiëler, Deed Verdonk er goed aan haar beveiliging publiekelijk aan de kaak te stellen? (6 juni 2008). Onduidelijk waarom. Wie die discussies leest (88 en 76 bijdragen) belandt in een uiterst beschaafde gedachtewisseling, waarin reageerders elkaar nog met „u” aanspreken. Op zaterdag om 21:18 uur meldt een deelnemer aan de onderwijsdiscussie bijvoorbeeld: „Ik ben nu te moe om verder te gaan discussiëren”. Waarna op maandag 09:54 uur een ander keurig hervat: „Toch nog even..”

Andere tijden, andere zeden.

De meest pittige reactie die ik onder dat tweede blog, over Verdonk, tegenkwam was de suggestie om bedreigde politici „een klein pistool” te geven. Een ander meldt, met een parafrase van Cato, très NRC dus, dat hij „overigens vindt dat de PvdA verwoest moet worden”.

Ten slotte zijn enkele reacties per e-mail op de site onvindbaar gemaakt: een éénregelige over de toekomst van Suriname, een over het homohuwelijk, en een vergoelijkende over seks tussen kinderen en volwassenen; de laatste is dan nog het meest begrijpelijk, ook al omdat die mail (10 maart 1996) nog werd gepubliceerd inclusief het complete adres van de afzender. Opnieuw: andere tijden.

Slotsom: Google willigt op duistere criteria verzoeken in die de krant zelf nooit zou honoreren. Geen enkele van de nu ontkoppelde langere artikelen voldoet in mijn ogen aan de norm die het Hof heeft gesteld, namelijk dat een artikel onjuist of oneerlijk was. Het meest schimmige criterium is dat een stuk „niet langer relevant” is. Maar wie bepaalt dat, en op grond waarvan? Google is een onderneming, geen Raad voor de Journalistiek. Beroep aantekenen is onmogelijk.

Gelukkig blijven alle ‘verdwenen’ stukken wel gewoon te vinden voor wie zoekt in het eigen online archief van de krant.

Voor NRC Handelsblad zelf geldt nog steeds dat alleen in uitzonderlijke gevallen stukken daarin worden aangepast. Onlangs werd bijvoorbeeld een verzoek ingewilligd van een geïnterviewde om diens naam bij een citaat te verwijderen, na bedreigingen aan het adres van familieleden in het buitenland.

Maar het moet bij hoge uitzonderingen blijven – ook bij Google.

Reacties: ombudsman@nrc