Fundamentalisten, pornoproducenten hebben zelfde dogma

Het einde van de Koude Oorlog sloeg een geestelijk gat. Iedereen gelooft in het dogma van fundamentele vrijheden maar is ook blind voor hoe die de wereld op zijn kop zetten, schrijft Mark Lilla.

We hebben niet nagedacht over het intellectuele gat dat het einde van de Koude Oorlog sloeg. De strijdende ideologieën gaven voorheen een goed beeld van contrasterende opvattingen over de politieke werkelijkheid. Na verdwijning van die denkbeelden werd het bepaald niet duidelijker. Het politieke gedachtengoed van het Westen is sinds het einde van de Tweede Oorlog, en misschien zelfs de Russische Revolutie, nog nooit zo oppervlakkig en onwetend geweest. We zien hoe donkere wolken zich samenpakken boven onze samenleving, en boven andere samenlevingen wier lot onze toekomst weerspiegelt. Toch ontbreekt het ons aan terminologie en woorden om onze wereld te beschrijven. De band tussen woorden en dingen is verbroken. Dat de ideologie heeft afgedaan, betekent echter niet dat we het licht hebben gezien. Er is zo’n dikke mist neergedaald dat we geen hand voor ogen meer zien. Het zijn onleesbare tijden.

In Europa en over de hele wereld liepen twee concurrerende verhaallijnen: een progressieve die uitmondt in bevrijdende revolutie, en een apocalyptische, conservatieve die de natuurlijke loop der dingen herstelt. Zoals de volgelingen van Jezus hun theologische verklaringen moesten bedenken toen Zijn wederkomst maar uitbleef, ontwikkelde negentiende- en twintigste-eeuws links een revolutionaire geloofsverdediging om de historische teleurstellingen te kunnen plaatsen. Deze stelde dat de Franse Revolutie die wel uitliep op terreur en Napoleontisch despotisme, toch de weg had bereid voor de pan-Europese revoluties van 1848. Die waren van korte duur maar vormden de basis voor de Commune van Parijs. Die hield het maar een paar maanden vol, maar was de Februarirevolutie van 1917 tot voorbeeld. Die werd gevolgd door de Novemberopstand en daarna de terreur van Stalin. Na de Tweede Wereldoorlog vond de revolutionaire pelgrimstocht zijn weg naar China en de Derde Wereld, en globaliseerde daarmee de strijd tegen kapitalisme en imperialisme. Toen was daar Cambodja, en ging het licht uit.

Europees contrarevolutionair rechts was in de negentiende eeuw de politieke meerdere van links, maar bood niet zo’n spectaculaire verhaallijn. Doordat het als reactie en onder zware druk was ontstaan, was het vager en minder geïnspireerd. Toch kon het op kritieke momenten zeer voortvarend optreden. Die sterke weerstand was echter niet bestand tegen de wetenschappelijke, economische en technologische krachten die vrijkwamen tijdens de negentiende-eeuwse revolutie. Spoorwegen doorkruisten het ongerepte landschap. Dorpen en landgoederen werden verzwolgen door steden, boerderijen door fabrieken, religieuze scholen werden openbaar, ongeschoren politici namen de plaats in van hertogen en graven, en boeren eindigden als een willekeurige troep uitgebuite arbeidskrachten. In de loop van de eeuw veranderde romantisch rechts dat droomde van een hernieuwd tijdperk van welbehagen en licht, in apocalyptisch rechts dat ervan overtuigd was de Grote Verdrukking te doorleven. Toen de onwaarschijnlijke Russische Revolutie succes boekte en het Marxisme van een onbeduidende sekte in een machtige wereldmacht veranderde, aanschouwde de wereld het gezicht van de Antichrist. Dan zijn we beland bij het fascistische gedachtengoed.

Probeer vandaag de dag het grote drama rond het politieke en intellectuele leven van 1789 tot 1989 maar eens uit te leggen aan jonge studenten – uit Amerika, Europa, China zelfs – en je voelt je een roepende in de woestijn.

Vijftig-plussers herinneren zich vast nog hoe ze zich in discussies met communisten en hun Marxistische medestanders verbaasden over hun indrukwekkende – en uiteindelijk ergerlijke – kennis van zaken. Ze leken geen oogkleppen op te hebben om zich af te schermen van de realiteit. Integendeel – dat was nu net het probleem – ze zagen werkelijk alles en konden precies uitleggen hoe alles was samengebracht door duistere machten op enorme afstand.

Links van links leeft het idee dat het ideologische tijdperk nog altijd voortduurt en dat fascisme en communisme simpelweg zijn vervangen door een nieuw ‘hegemoniaal wereldbeeld’. Amerikanen noemen het democratisch kapitalisme en zijn er dolblij mee; Europeanen noemen het neoliberalisme en keuren het af. Het concept ‘democratie’ is, ondanks alle misvattingen en kritiek, eigenlijk het enige politieke model dat vandaag de dag nog op wereldwijde, zo niet universele erkenning kan rekenen. Economische groei is dan ook een wereldwijd doel dat veelal wordt nagestreefd vanuit een blind vertrouwen in de kosteloze voordelen van vrije handel, deregulering en buitenlandse investeringen. De maatschappelijke liberalisering uit de jaren zestig stuit op steeds minder weerstand onder hoogopgeleide stedelijke elites, en een nieuwe kijk op cultuur is in opkomst – de oude wordt in elk geval in twijfel getrokken. Deze denkwijze plaatst zelfbeschikking boven traditionele sociale waarden, ongeacht of het over religie of seksualiteit gaat, en het hoogste principe is om anderen te tolereren. De recente en verbazingwekkend voortvarende acceptatie van homoseksualiteit en zelfs het homohuwelijk in vele westerse landen – een historisch weergaloze omwenteling van traditionele moraal en gewoonten – zegt meer over ons tijdperk dan wat dan ook.

Het vertelt ons dat dit een libertair tijdperk is. Dat komt niet doordat de democratie in opkomst is (die maakt op veel plekken juist een inzinking door), of doordat iedereen nu de vruchten plukt van de vrije markt (er is immers een nieuwe klasse van paupers ontstaan), of doordat we nu allemaal vrij zijn om te doen wat we willen. Nee, dit is een libertair tijdperk bij gebrek aan beter: welke ideeën of geloofsovertuigingen of gevoelens de vraag naar individuele autonomie in het verleden ook hebben weten in te dammen zijn nu uitgewerkt. Er zijn over dit onderwerp geen openbare discussies geweest en er is niet over gestemd.

Toch is ons libertarisme geen ideologie in de oude betekenis van het woord. Het is een dogma. Een ideologie probeert de historische krachten die de samenleving vormgeven meester te worden door ze eerst te begrijpen. Dat is precies wat de grote ideologieën van de 19e en 20e eeuw hebben gedaan, en ook nog eens veel te goed; omdat ze intellectuele allesverslinders waren, baanden ze de weg voor het politieke totalitarisme. Het gaat uit van fundamentele liberale principes – de ‘heiligheid’ van het individu, de prioriteit van de vrijheid, het wantrouwen jegens overheidsgezag, tolerantie – en gaat niet verder dan dat. Het is niet liberaal in een zin die Montesquieu, de Founding Fathers van de Amerikaanse grondwet, Tocqueville of Mill zouden hebben herkend. Zij zouden het hebben beschouwd als een geloofsovertuiging die weinig verschilt van Luthers sola fide: geef individuen maximale vrijheid in alle aspecten van hun leven en alles zal in orde komen. Zo niet, dan mag de wereld vergaan.

De dogmatische eenvoud van het libertarisme verklaart waarom mensen die voor het overige weinig delen het kunnen steunen: rechtse Amerikaanse fundamentalisten die voor een kleine overheid zijn, linkse Europese en Latijns-Amerikaanse anarchisten, pleitbezorgers van meer democratisering, absolutistische voorvechters van de burgerrechten, kruisvaarders voor de mensenrechten, neoliberale evangelisten van de groei, hackers, wapenfanatici, pornoproducenten en economen van de Chicago School, over de hele wereld. Het dogma dat hen verenigt is impliciet en behoeft geen nadere uitleg; het is een mentaliteit, een gevoel, een veronderstelling – wat ooit, in niet laatdunkende zin, een vooroordeel werd genoemd.

Sinds de jaren tachtig wordt het project van de economische integratie van de Europese Unie geregeerd door het neoliberalisme, een krachtige vorm van het hedendaagse libertarisme. Het is shockerend om te zien hoe lang het duurde voor de Europeanen begrepen hoe ernstig de neoliberale benadering van de EU van die economische integratie de principes bedreigt van het democratisch zelfbestuur die na de Tweede Wereldoorlog in ere zijn hersteld. Tot nu toe zijn moderne constitutionele democratieën louter tot ontwikkeling gekomen binnen de context van soevereine natiestaten. De natiestaat vertegenwoordigt een soort compromis tussen de politiek van het imperium en de politiek van het dorp, groot genoeg om mensen buiten hun plaatselijke belangen te laten denken, maar ook weer niet zo groot dat ze het gevoel hebben dat ze hun leven niet langer zelf in de hand hebben. Hij biedt een duidelijk afgebakende arena voor politieke strijd en collectieve actie van de burgers die zich ermee identificeren, en geeft hen de mogelijkheid om regeringen ter verantwoording te roepen. Dat is niet zomaar tot stand gebracht.

Er was nooit consensus over wat de EU moet worden, behalve een machine om vrede te bewaren en voorspoed te genereren. Allen waren het eens dat de nationale soevereiniteit een veertje zou moeten laten. Maar aanvankelijk werd weinig nagedacht over het inrichten van democratische procedures binnen de EU, deels omdat de Founding Fathers na de ervaringen met het fascisme het volk niet volledig vertrouwden. Nog minder nagedacht werd over de vraag hoe Schotten en Sicilianen het gevoel moest worden gegeven dat ze hetzelfde lot deelden en dezelfde instellingen zouden moeten erkennen.

Niet alleen de enorme immigratie heeft het nationale ‘wij’-gevoel van de Europeanen aangetast. Omdat Europa niet langer denkt dat het een essentie of een kern of een gedeelde geschiedenis of zelfs maar grenzen heeft, waarom zou het dan het lidmaatschap ontzeggen aan landen die zeggen dat ze ook tot Europa behoren?

Griekenland en andere landen stonden aan de rand van het faillissement terwijl de EU bezuinigingen eiste. Hun burgers hebben terecht het gevoel dat ze de greep op hun gezamenlijke lot kwijtraken. Dit geldt ook voor de ongedurige Duitse bevolking, die bang is dat ze een economisch zelfmoordpact met verkwisters heeft gesloten. Nationaal gekozen ambtdragers in de zwakkere landen wijzen in de hoop om bezuinigend te kunnen aanblijven naar de Duitsers; de Duitsers schuiven de schuld op de solvabiliteitsregels van de EU. Vervolgens wijst de EU naar de alwetende financiële markt, die ons weer verwijst naar de Amerikaanse obligatie-ratingbureaus, bemand door boekhouders achter bureaus die bij gebrek aan beter de nieuwe heersers van Europa zijn geworden.

De verdedigers van de Europese Unie houden ons voor dat deze al twintig jaar de vrede weet te handhaven en waarschuwen dat de landen zelfs nog meer soevereiniteit moeten afstaan, wil Europa zich staande houden op de vluchtige financiële wereldmarkt en kunnen concurreren met economische reuzen als China en de Verenigde Staten. Misschien is dat ook zo. Een vredig Europa is een kostbare zaak en een machtiger EU zou weleens nodig kunnen zijn. Democratisch zijn ze niet.

Historisch gezien zijn de Amerikanen beter in hun beleving van de democratie dan in hun begrip. Ze beseffen meestal niet dat de democratie in het Westen een lange weg heeft afgelegd: van een bestel dat in de klassieke oudheid als hopeloos werd beschouwd, via een mogelijk goed systeem in de negentiende eeuw en pas de beste regeringsvorm na de Tweede Wereldoorlog, tot het enige legitieme staatsbestel in de afgelopen vijfentwintig jaar.

Onze tijd is vrijheidsgezind bij gebrek aan beter: de ideeën of overtuigingen of gevoelens die in het verleden de wens tot individuele autonomie onderdrukten, zijn vervlogen.

Voor de Amerikaanse politieke en journalistieke klasse bestaan er tegenwoordig maar twee politieke categorieën: democratie en le déluge. De grote verrassing in de wereldpolitiek sinds het einde van de Koude Oorlog is duidelijk niet de opmars van de liberale democratie, maar de terugkeer van klassieke vormen van niet-democratisch politiek bestuur in een modern jasje. De val van het Sovjet-rijk en de ‘shocktherapie’ die daarop volgde, hebben geleid tot nieuwe oligarchieën en kleptocratieën die vernieuwde instrumenten van financiering en communicatie tot hun beschikking hebben. De opmars van de politieke islam heeft miljoenen moslims die samen een kwart van de wereldbevolking vormen, onder een restrictiever theocratisch bewind geplaatst. Stammen, clans en sektarische groeperingen zijn de belangrijkste spelers in de post-koloniale landen van Afrika en het Midden-Oosten geworden. China heeft het despotische mercantilisme teruggebracht. Al deze politieke structuren hebben een eigen aard die als zodanig moet worden doorgrond, en niet als een potentieel meer of mindere vorm van democratie.

Maar als de enige keuze die we ons kunnen indenken tussen democratie of le déluge gaat, sluiten we de mogelijkheid uit om niet-democratische regimes te verbeteren zonder ze met geweld te hervormen (de Amerikaanse stijl) of tevergeefs te hopen (de Europese stijl) dat mensenrechtenverdragen, humanitair ingrijpen, wettelijke sancties, NGO-projecten en bloggers met iPhones een blijvend verschil zullen maken. Dit zijn de waanideeën die onze twee continenten ten volle typeren. Als er een weg van slavernij naar democratie is, zal deze soms lange stukken geplaveid zijn met non-democratie –zoals ook in het Westen het geval was. Ik voel gaandeweg enig medeleven met die Amerikaanse functionarissen die tien jaar geleden de bezetting van Afghanistan en Irak leidden en meteen begonnen met de afbraak de bestaande politieke partijen, legermachten en traditionele organen van politiek overleg en gezag. De diepste oorzaak van deze reusachtige blunder was niet de hoogmoed of naïviteit van de Amerikanen, al was die er ook te over. De oorzaak was hun onvermogen om na te denken over alternatieven voor een ogenblikkelijke – en uiteindelijk gefingeerde – democratisering. Ze kenden alleen de eerste richtlijn: ontwerp nieuwe grondwetten, vestig parlementen en presidentskantoren, en hou dan verkiezingen. En daarna kwam inderdaad de zondvloed.

Onze hoogmoed is om te denken dat we niet meer diep hoeven na te denken of op te letten of verbindingen te zoeken, dat we alleen maar hoeven vast te houden aan onze ‘democratische waarden’ en economische modellen en ons geloof in het individu, en dat alles dan wel goed komt. Het einde van de Koude Oorlog heeft elk vertrouwen in ideologie dat in het Westen nog over was verwoest. Maar het lijkt ook onze wil tot begrip te hebben verwoest. We zijn teruggetreden. Het vrijheidsgezinde dogma van onze tijd zet onze politiek, economie en cultuur op hun kop – en maakt ons blind hiervoor doordat we nog meer in onszelf gekeerd en nog onverschilliger worden dan we al van nature zijn. De wereld die we met onze handen maken is even ver uit onze gedachten als het verste zwarte gat. Eens verlangden we weemoedig naar de toekomst. Nu lijden we aan geheugenverlies omtrent het heden.