Fijn dat Alibaba naar de beurs gaat, maar let iemand intussen wel op die veertig rovers?

Het enthousiasme rond de aanstaande beursgang van het Chinese Alibaba klinkt als een echo van de dotcom-hausse van eind jaren negentig.

In je geestesoog kun je haar nog zien staan: Nina Brink met haar twee duimen omhoog aan de vooravond van de beursgang van World Online. Maart 2000, de top van wat niet lang daarna de dotcom-hausse genoemd zou worden. America Online had Time Warner kort daarvoor gekocht voor 184 miljard dollar. John de Mol en Joop van den Ende verkochten Endemol aan het Spaanse Telefonica voor 5,5 miljard euro.

Dit zijn absurde bedragen – behalve voor veel burgers, bankiers en beleggers van destijds, die allang murw waren van de torenhoge waarderingen die alles wat met internet en ‘content’ te maken had, kreeg toebedeeld. De lastigste opdracht van een belegger is om zijn eigen tijdperk te objectiveren, zich los te maken en van een afstandje te bekijken wat er aan de hand is. Dat bleek toen niet goed te lukken.

De absurde bedragen zijn, veertien jaar later, weer terug. Facebook, Twitter en alle andere naar de beurs gebrachte winnaars van de sociale media zijn enorme bedragen waard. Al gingen hun beursintroducties in 2012 en 2013 niet altijd vlekkeloos.

De door superlatieven omgeven beursgang van de Chinese internetbazaar Alibaba, volgende week, vindt plaats in een sterk verbeterd klimaat. Aandelenbeleggingen zijn weer in bij het grote publiek, dat is opgewarmd door gestage koersstijgingen sinds de herfst van 2011. Sindsdien zijn Amerikaanse aandelen ruim 70 procent meer waard geworden. De aandelencultus lijkt zo langzamerhand weer helemaal terug. Ook in Europa, waar de MSCI-Europe index in dezelfde tijd met 56 procent steeg.

Met die cultus groeit een nieuwe immuniteit voor grote bedragen. Alibaba, het geesteskind van de Chinese ondernemer Jack Ma, zal volgende week een pluk aandelen op de beurs van New York brengen, waarmee het ruim 20 miljard dollar binnenhaalt. De waardering van het bedrijf wordt daarmee minstens 160 miljard, en misschien wel meer.

En zoals er vijftien jaar geleden weinig zorgen waren over het ontbrekende verdienmodel van al die nieuwe beursgangers, zo lijkt er nu weinig zorg over de ondoorzichtige bestuursstructuur van Alibaba. Dat de Hongkongse beurs om die reden afzag van de introductie is geen beletsel: New York heeft Alibaba graag. Ook al kunnen de nieuwe aandeelhouders straks de meerderheid van het bestuur niet benoemen.

Dat laat aandeelhouders over zonder veel invloed, die samen meer dan 20 miljard dollar hebben gestoken in aandelen van Alibaba Group Holding. Dat is een bedrijf op de Kaaiman Eilanden waarvan niet duidelijk is welke Chinese dochters er, als het er op aan komt, nu écht bij horen.

Het mag de pret niet drukken. De koopkracht van ruim een miljard Chinezen heeft altijd gelijk. Je kunt het ‘irrationele uitbundigheid’ noemen. Die term werd door de centrale bankier Alan Greenspan bedacht, en deed opgeld toen Nina Brink nog met haar duimen omhoog stond. De term schopte het tot de titel van het boek waarin de econoom Robert Shiller de dotcom-krach van 2000 en 2001 voorzag.

De latere Nobelprijswinnaar Shiller baseerde zijn analyse destijds op een waarderingsmaatstaf van Amerikaanse aandelen die door het leven gaat als CAPE: de cyclically adjusted price earnings ratio. Dat is een koers-winstverhouding die niet is gebaseerd op de meest recente winst per aandeel maar op de gemiddelde winst per aandeel van de afgelopen tien jaar.

Deze maatstaf bleek griezelig accuraat bij het aangeven van onder- en overwaardering van de beurskoersen. Dat maakt benieuwd naar de stand van nu. In bijgaande grafiek is hij teruggerekend tot de negentiende eeuw.

De meest recente waarde is, voor Wall Street, iets meer dan 26. Daarmee zijn aandelen alweer aan de dure tot zeer dure kant. Niet in vergelijking met de laatste vijftien jaar, maar we weten wat die overdaad ons heeft gebracht. Los van dat tijdperk was de beurswaardering in de aanloop naar de krach van 1929 hoger dan nu.

Natuurlijk, de rente is historisch laag. En het is geen geheim dat centrale banken op zijn minst content zijn met de waardestijging van beleggingen die de economie uit het slop haalt. Maar gezond klinkt dat niet. Verslavend des te meer.

Nu zijn Europese en Aziatische aandelen (minus Japan) veel minder hoog gewaardeerd dan de Amerikaanse. Dat geldt voor het dividendrendement, dat lager is naarmate aandelen hoger staan. Dat dividendrendement is maar 1,89 procent in de VS, tegen 3,66 procent voor Europa en 2,58 procent voor Azië. Amerikaanse aandelen zijn ook het duurst als je ze vergelijkt met de boekwaarde per aandeel: 2,76 maal de koers in de VS, tegen 1,52 in Azië en 1,86 in Europa.

De huidige overwaardering lijkt dus vooral een Amerikaans verschijnsel – nog een reden voor Alibaba om een Amerikaanse notering te zoeken. Maar we weten in Europa dat, als de Amerikaanse beurs corrigeert, wij in de regel even hard mee omlaag gaan. Oktober, altijd een bibbermaand op de beurzen, staat voor de deur. Jack Ma toont volgende week zijn duimen. Duim met hem mee.