Eten wordt drinken

Over ‘Gargantua et Pantagruel’ van François Rabelais.

Illustratie Hajo

‘Omdat hij van nature flegmatisch was, begon hij zijn maaltijd met een paar dozijn hammen, gerookte ossetongen, gezouten namaakkaviaar, worstjes en meer van dat soort trompetters van de wijn. Ondertussen wierpen vier van zijn dienaren voortdurend om beurten grote scheppen mosterd in zijn mond. Daarna dronk hij een grouwelijke slok wijn, om z’n nieren te laten doorstromen. Vervolgens at hij, al naar gelang het seizoen, dingen die hij lekker vond, en hij hield pas op met eten, als zijn buik er vol van stond.’

Aldus François Rabelais (bij monde van zijn vertaalster J.M. Vermeer-Pardoen) in zijn satire over het leven van Gargantua, de zestiende-eeuwse Franse versie van onze Holle Bolle Gijs. Gargantua is een reus met een meer dan gemiddelde eetlust, die hem ertoe aanzet om eindeloze hoeveelheden voedsel tot zich te nemen.

Hele bladzijden van Gargantua et Pantagruel zijn gevuld met de opsommingen van de gerechten die Gargantua en zijn niet minder mateloze zoon Pantagruel soldaat maken – waarna de auteur afsluit met een zin als: ‘Het mankeerde niet aan een overvloed van voedsel, en dat werd heel lekker toebereid door [de koks] Sauslikker, Hutspot en Druivenstamper.’ Het hoeft niet te verwonderen dat in de meeste westerse talen de woorden ‘gargantuesk’ en ‘rabelaisiaans’ synoniem zijn met ‘overdadig in spijs en drank’.

‘De lente zal gargantuesk zijn’ luidde vijf maanden geleden de laatste zin van een column die ik schreef over de worsteling met mijn gewicht. Ik was hard op weg naar min-25 kilo en omdat de plaatsing van een katheter voor sondevoeding net was mislukt, zat er maar één ding op: zo veel mogelijk aankomen op eigen kracht. Erg veel zou er van mijn goede voornemen niet terechtkomen. Het eten kostte me zo veel moeite en tijd – vooral door het eindeloze kauwen tegen verslikkingsgevaar – dat het erop leek alsof ik meer calorieën verbruikte dan ik tot me nam. En geestelijk was ik nog niet zover om de gerechten gepureerd te eten, iets waar bijna iedere ALS-patiënt op een gegeven moment aan moet wennen. Om die pil te verzachten, had het ziekenhuis alvast een boekje laten zien van een kennelijk steenrijke (en dieronvriendelijke) Belgische topkok, die zijn ALS-klanten op gewicht probeerde te houden met fijngemalen versies van gebakken foie gras met rode wijn & vijgen, sint-jacobsvruchten met sinaasappelsaus & ganzelever en ravioli met cantharellen & kreeft.

Ingespoten tussendoortjes

Als ik onder de 62 kilo zou duiken, zo had ik met mezelf afgesproken, zou ik opnieuw opgaan voor een maagsonde, ook al beschouwde ik die als een inbreuk op de integriteit van mijn lichaam, een point of no return. En zo geschiedde, zij het niet zonder slag of stoot. Eind juli was ik de trotse bezitter van een zogeheten PRG, waardoor vloeibaar eten naar binnen kon worden gespoten. De slang was preventief, want ik kón nog slikken en een paar weken lang heb ik hem inderdaad niet gebruikt. Wat hielp was een vakantie in het land van Rabelais, waar de menu’s gevarieerd en eetlustopwekkend zijn (als je je tenminste onthoudt van de favoriete gerechten van Gargantua, zoals rolpens, karbonaadjes met broodsoep en speenvarken in mosterdsaus). Maar zelfs twee warme maaltijden per dag deden de weegschaal niet uitslaan en toen ik terug in Nederland was, ging ik alweer snel richting de 60. De sonde wenkte.

Een patiënt van mijn lengte en gewicht heeft per dag 1.800 tot 2.000 calorieën nodig, meldde de diëtist in het ziekenhuis. Met de pap van ’s ochtends, de soep van ’s middags en een zo groot mogelijke portie avondeten kwam ik ongeveer op 1.500 uit, ook al omdat ik geen wijn meer kan verdagen en van andere alcohol razendsnel verzadigd ben. Aanvullende porties vloeibare voeding waren dus geboden. Je kon het in je maag laten lopen terwijl je sliep, maar dat zag ik niet zitten: ik lig met diverse slangen aan de nachtbeademing en voor je het weet eindig je bij het naar de wc gaan als Laokoön. En dus krijg ik mijn Nutrison Multi Fibre driemaal daags met een grote injectiespuit ingebracht. Het is hetzelfde spul dat ik een paar maanden geleden uit flaconnetjes moest drinken om aan te sterken, maar dit keer hoeft het goddank niet via de smaakpapillen.

Mijn gewicht is nu al een tijdje stabiel, maar ik heb er een offer voor moeten brengen. De porties Nutrison, ingespoten bij wijze van tussendoortjes, tasten mijn laatste resten eetlust aan. Mijn vrouw steekt de Vlaamse luxekok naar de kroon met tortilla met zalm & groene asperges, rode poon met pompoenpuree, tilapia in mosterdsaus, pikante bloemkoolcurry en coquilles met venkelravioli; maar ik moet me er echt toe zetten. Gargantua zou watertanden bij de gehakte kogelbiefstuk met aardappel-erwtenpuree en de gebraden kip met wortelstoemp, maar ik eet hoeveelheden die ik vroeger in mijn holle kies stopte.

Het lijkt erop dat mijn dagen van ‘vrolijk schransen en daarbij lekker drinken’ (zoals Rabelais het noemt) definitief voorbij zijn. Ik mag blij zijn dat ik nog kan slikken en gezellig aan tafel kan zitten. En natuurlijk kan lezen over lekker eten altijd nog. Ik hoor Gargantua al zeggen: ‘Laten we daarop drinken, vooruit, weg met al die zwartkijkerij! Breng de beste wijn, spoel de glazen, dek de tafel, jaag de honden weg, stook het vuur op…’