Een vader zoals jij

Elke week staat op deze plaats een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit De derde persoon, de nieuwe verhalenbundel van Thomas Heerma van Voss (24).

N iemand van mijn vrienden heeft zo’n vader als ik. Als je me op kwam halen van school, ging je meestal aan de overkant van de straat staan, half verscholen achter een muurtje. Ik heb nooit durven vragen waarom. Andere vaders omhelsden hun kinderen zodra die de school uit kwamen, ze deden mee met sporten, stonden ’s winters fanatiek op de skibaan en luisterden naar dezelfde muziek als hun zoon. Jij niet. Je was oprecht geïnteresseerd, je wilde weten wat me bezighield, maar je begreep dat de vierenvijftig jaar tussen ons in niet zomaar gecamoufleerd kon worden. En dus hield je je meestal afzijdig als er vrienden over de vloer kwamen. Je was aardig, beleefd, maar zonderde je af voordat iemand je kon vragen of je erbij kwam zitten. Eén keer speelde je mee op de Super Nintendo, Mario Kart. Je vingers waren echter te dik, waardoor je tegelijk op het gaspedaal en de rem drukte en dus de hele race niet bewoog. ‘Hier ben ik toch een beetje te oud voor’, zei je.

Het liefst wilde je dat er nooit iets veranderde. Op verjaardagen, of die nu van mij of van jezelf waren, kreeg je iets weemoedigs over je. Toen ik op mezelf ging wonen, kwam je dagen je slaapkamer niet uit. Dat was jouw manier van verzet, stil en teruggetrokken. Je bleef als enige ouder langskomen bij mijn zondagse voetbalwedstrijden, ook toen ik mijn studie al lang had afgerond en enkele medespelers al eigen gezinnen hadden. Je stuurde nooit sms’jes maar belde voor ieder bericht op, je schreef cheques toen iedereen al lang pinpassen had, je bleef brieven schrijven in plaats van e-mails. En je hele leven heb je een ouderwetse camera gebruikt, een rechthoekige Nikon waarvan je de fotorolletjes weg moest brengen en waarbij je vervolgens dagen moest wachten voor je het resultaat kon zien – digitaal vond je te vluchtig, te onbetrouwbaar. De toekomst deed er bij jou nauwelijks toe. Het heden speelde geen noemenswaardige rol. Het ging om het verleden.

Als we samen door Amsterdam fietsten, voelde het weleens alsof je een rondleiding gaf door een stad die niet meer bestond. Je sprak over Bakker en Perry van der Kar, winkelnamen van twintig jaar geleden. Zittend in cafés vertelde je vooral over eerdere bezoeken. Daar, in die hoek, had je ooit een omelet gegeten met je vader, iets verderop ging je dochter eens onbedaarlijk huilen omdat een serveerster op haar speelgoed was gaan staan. En wist ik nog die ene dag, toen mama daar tien jaar geleden een bevroren hotdog at? Zo nu en dan nam je me mee naar een restaurant dat, als we er eenmaal waren aangekomen, niet meer bleek te bestaan. ‘Net of er nog niet genoeg kledingwinkels zijn’, mompelde je dan, starend naar de modieuze etalage die jouw herinneringen rigoureus naar het verleden verbande.

Bij Concerto werd je door steeds minder medewerkers herkend. Eens kon je in mijn bijzijn een oude jazzplaat niet ruilen omdat je geen bonnetje had. ‘Ik heb bonnetjes van de afgelopen veertig jaar’, zei jij. ‘Telt dat soms niet?’ De jongen achter de kassa, een twintiger met haar tot aan zijn schouders, liet zich niet overtuigen. Je keek gejaagd om je heen. Ik wilde helpen, maar wist niet hoe. ‘Wacht even’, zei je toen. Je trok me bij de kassa vandaan, samen liepen we de winkel door, van de tweedehandsafdeling naar de hiphop, de soul, de ska, de rock, de pop, tot je in de jazzkelder een verkoper vond die je herkende – een man met grijs haar en een vlassig baardje. ‘Natuurlijk kun jij dit zonder bonnetje ruilen’, zei de man. ‘Geen probleem.’ Met de geruilde plaat in je hand liep je terug naar de tweedehandsafdeling. Je zei niets, hield de plaat alleen demonstratief omhoog. Maar hoe blij je ook was, de trots overwon niet helemaal.

Toen ik in de brugklas zat, ging jij met pensioen. Geen tijdschriften meer, geen televisie en ook geen radio. Als ik van school kwam, was jij er altijd. Mama werkte doordeweeks, meestal gaf ze les in Nijmegen en nam ze een late trein naar huis. Jij zat intussen beneden in je werkkamer, het werd nooit helemaal duidelijk wat je daar deed. De deur was elk moment van de dag gesloten. Ik durfde er alleen naar binnen te gaan in het zeldzame geval dat jij buiten was. Er hing een bedwelmende sigarettenlucht. Overal lagen stapels kranten en onvoltooide brieven; aan de muur stonden drie uitpuilende platenkasten vol verleden.

Zelf zat ik het grootste gedeelte van de tijd boven, achter mijn bureau. Ik had in die tijd nog geen computer, ik kliederde wat in schoolschriften, of maakte dagboeknotities die ik meteen weer weggooide. Soms riep je na een paar stille uren van onder aan de trap: ‘Ben je iets leuks aan het doen daar?’

Het woord ‘daar’ klonk altijd licht beschuldigend, alsof ik je in de steek liet door niet bij je in de buurt te zijn.

‘Ja’, riep ik dan terug. ‘Ben jij ook iets leuks aan het doen?’

‘Ja.’

En zo bewogen we ons door de dagen, vertrouwd in onze zwijgzaamheid, verbonden door onze afzondering.

Bijna nooit kwam je naar boven. Je sliep geregeld op de bank, mama vond dat je te veel snurkte en kon bovendien niet tegen die rooklucht. Voor het slapengaan gaven jullie elkaar meestal een onwennige, snelle zoen. Andere keren riepen jullie de ander alleen welterusten toe, waarna mama naar bed ging en jij achter je bureau bleef zitten. Fysiek contact leek je het liefst te vermijden. Als ik een goed rapport had of een opgewekt verhaal vertelde, gaf je hooguit een knikje.

Ik herinner me nog goed hoe je reageerde toen mijn eerste boek net van de drukker kwam. Ik woonde niet meer thuis en kwam langs om het te laten zien. Je wachtte me op in de deuropening. Nauwkeurig bekeek je het omslag. Je las de plotomschrijving, bekeek de auteursfoto, knikte tevreden bij het zien van jouw achternaam op de voorkant. Er verscheen een zeldzame glinstering in je ogen. Je zei: ‘Dit nemen ze je nooit meer af.’

Op die manier zag jij de wereld. Als een chaotische, onbetrouwbare plek waar dingen elk moment konden verdwijnen en iedereen je kon bestelen. Wisselgeld bij de supermarkt moest altijd geteld worden, de voordeur diende bij het kleinste ommetje dubbel op slot te worden gedraaid, en iets mocht pas gevierd worden zodra je er honderd procent zeker van was dat niemand het nog ongedaan kon maken.