‘Dit drama in Brussel heeft Europa wakker geschud over IS’

Directeur Joods Museum

Dodelijke aanslag in mei heeft zijn droom van samenleven niet veranderd.

Op 24 mei verandert het leven van Philippe Blondin, directeur van het Joods Museum in hartje Brussel, voorgoed. Die middag loopt de 29-jarige Frans-Algerijnse Mehdi N. de museumhal binnen en schiet met zijn handvuurwapen op twee toeristen, een echtpaar uit Israël. Daarna neemt hij met zijn kalasjnikov twee museummedewerkers onder vuur. Alle vier de slachtoffers overleden.

Zondag, op de Europese Dag van de Joodse cultuur, gaat het museum weer open. „Dit drama heeft ons direct getroffen, maar het heeft tegelijk Europeanen de ogen geopend voor het gevaar dat op de loer ligt”, zegt Blondin. Nog altijd heeft hij moeite zijn emoties te bedwingen. „Ons team is als een kleine familie. Het monster kwam, schoot en verwoestte onze levens.”

N. werd daags na de aanslag op een bus van Brussel naar Marseille door de Franse douane aangehouden. In zijn tas zat een videocamera met opnames waarin hij de verantwoordelijkheid voor de moorden op zich neemt. Hij had wapens gewikkeld in een vlag van de Islamitische Staat (IS). N., eind juli door Frankrijk uitgeleverd aan België, wacht nu in een cel in Brugge op zijn proces.

Meteen na de aanslag sprak u over het ‘topje van de ijsberg’

„Mensen als N. willen onze beschaving kapot maken. Gelukkig dringt het besef nu langzaam door dat we ons daartegen moeten wapenen.”

De aanslag was een wake up call?

„Absoluut. We weten inmiddels allemaal waartoe jongens als N. in staat zijn. IS onthooft mensen. IS indoctrineert onze kinderen. Verbijsterend.”

Welke middelen voor veiligheid kreeg uw museum na de aanslag?

„Dertigduizend euro.”

Wat kun je daarmee doen?

„Ik ga daar liever niet op in. Dit is wat we kregen.”

Twee agenten staan voor het museum. „Hebt u een afspraak?” vragen ze. „Loop dan maar door.” Met metalen voorwerpen op zak passeer je een detectiepoortje dat geen signaal geeft. Bij de receptie installeert een monteur videobewakingssoftware.

U noemt uw team een familie.

„ Ik blijf geloven in mijn droom van samenleven. Neem een van de overleden medewerkers. Opgevoed door een alleenstaande Joodse moeder. Hij is begraven in het land van zijn vader, een moslim uit Marokko. Anderen in mijn team komen uit Congo. Mijn secretaresse is Grieks-orthodox, onze archivaris protestants. Ik ben Joods. Religie en kleur doen er hier niet toe. Zo had ik het graag willen houden.”