De onbegrepen sterfte van de Franklin-expeditie

Tekening van de twee schepen voor de Franklin-expeditie, de Erebus en de Terror. Bron: Daten der Weltgeschichte

De Erebus is teruggevonden. Of misschien is het de Terror. Het is deze week bekendgemaakt door de Canadese premier Stephen Harper. Duikers vonden op een diepte van 12 meter in Canadese poolwateren de resten van een schip dat onmiskenbaar één van de twee schepen was van de beroemde Franklin-expeditie uit 1845.

Allebei waren het waren stevige kanonneerboten, later geschikt gemaakt voor de vaart door het ijs. De Erebus is van 1826, de kleinere Terror van 1813.

Maar wat was ‘de beroemde Franklin-expeditie’? Het was de ultieme poging van de Britse Admiraliteit om de ‘noordwestelijke doorvaart’ te vinden. Het vermoeden dat er tussen de aan elkaar gevroren eilanden van Noord-Canada een vaarroute lag die de Atlantische en Grote Oceaan verbond was tegen 1840 een obsessie geworden. Velen hadden haar gezocht, niemand had haar gevonden. Nu moest het maar eens afgelopen zijn.

De Admiraliteit rustte een ultramoderne superexpeditie uit. De Erebus en Terror werden nog verder versterkt, kregen stoommachines met demontabele scheepschroeven. Verder: centrale verwarming en een ontziltingsinstallatie, een enorme bemanning en een formidabele hoeveelheid steenkool en voedsel. Dat laatste voor een groot deel in blik. Vlees in blik, groenten in blik en heel veel soep in blik. Genoeg voor zeker drie jaar.

De leiding kreeg Sir John Franklin die minder gekwalificeerd was dan beroemdere poolreizigers (zoals Parry en Ross die niet wilden) maar voldeed aan het pr-ideaal van de Admiraliteit: a true English gentleman, Anglicaans én geridderd. Dat hij eigenlijk te dik en te oud was en als brekebeen werd beschouwd mocht niet hinderen. In mei 1845 voer Franklin weg.

Nu, het is niet goed gegaan met de expeditie. Eind juli 1845 zijn de schepen nog gezien bij Groenland, daarna is jarenlang geen taal of teken meer vernomen. De Admiraliteit rustte een zoekexpeditie uit, en nog een, en nog een, en nog meer, ‘search for Franklin’ werd een begrip, maar het duurde tot 1859 voor er helderheid kwam. Wel waren in 1850 op Beechey Island de graven aangetroffen van drie zeelui, maar die waren al tijdens de eerste overwintering van 1845/46 gestorven. In 1859 werd – hoog op het land – een sloep gevuld met skeletten en voorraden gevonden en niet ver daarvandaan een nagelaten bericht. Na de eerste overwintering, luidde het, was men in september 1846 vastgelopen in het pakijs en daar nooit meer uit losgekomen. In april 1848 waren beide schepen verlaten en aan hun lot overgelaten. Over het ijs had men sloepen en voorraden naar King William Island gesleept, van daar zou geprobeerd worden in het zuiden contact te maken met de bewoonde wereld.

Dat is mislukt. Het is droevig, maar geen mysterie. Het kon iedereen overkomen. Het grote raadsel van de Franklin-expeditie is de enorme sterfte onder bemanning en officieren die zich al vroeg manifesteerde en die sterk afwijkt van de sterfte onder andere poolexpedities. Na de drie sterfgevallen van begin 1846 blijken tussen juni 1847 en april 1848, toen de schepen vast zaten in het ijs en er nog genoeg voedsel en steenkool was, nog 12 zeelui en 9 officieren te zijn doodgegaan, onder wie Franklin zelf. Onbegrijpelijk.

Al in 1850, toen de drie vroege graven op Beechey Island waren gevonden, was men zó verbaasd geweest dat besloten werd in 1852 één graf te openen om eens een kijkje te nemen. Maar er bleek niets van verwonding, bevriezing, ziekte of scheurbuik. Later is daarom geopperd dat misschien bedorven vlees was gegeten.

Tot op de dag van vandaag staat niet vast waaraan de Franklin-mannen stierven. Vorig jaar verscheen in de International Journal of Osteoarchaeology het verslag van een Brits-Nederlands onderzoek aan hun teruggevonden beenderen. Er zijn geen tekenen van scheurbuik, noteren Mays, Maat & De Boer. Kennelijk verschafte de voorraad citroensap die de Admiraliteit meegaf voldoende vitamine C.

In 1984 en 1986 heeft de Canadese forensisch antropoloog Owen Beattie de drie graven op Beechey Island – opnieuw – geopend. De ontdooide doden zagen er nog patent uit. Standaard-autopsie ter plekke bracht, zoals in 1852, niet veel bijzonders aan het licht. Maar later zijn in haren en nagels verhoogde concentraties lood gevonden. Beattie vestigde hierop zijn theorie dat de drie, en mogelijk de vele anderen, aan loodvergiftiging waren gestorven. Het lood, reconstrueerde hij, was gebruikt om de sluitnaden van de duizenden blikken vlees, groenten en soep dicht te solderen. Veel van die blikken lagen nog in de buurt van de graven. Gevoegd bij de loodbelasting uit loodhoudende verf was het te veel geworden. Beattie en een ghostwriter hebben het beschreven in Frozen in time (Bloomsbury, 1987).

De loodtheorie is alweer verlaten, de loodbelasting lijkt niet fataal geweest te kunnen zijn. Vreemd genoeg is er weinig aandacht voor de hypothese die de journalist Scott Cookman presenteert in Ice Blink (John Wiley, 2000). Cookman ontdekte dat de Admiraliteit de duizenden blikken voedsel pas op het allerlaatst bestelde en terechtkwam bij ene Stephan Goldner (die ze het goedkoopst aanbood). Goldner was, is later gebleken, een bedrieger die zijn blikken in een zwijnenstal in een Londense achterbuurt liet volproppen. Hij kreeg de order niet op tijd rond en heeft de sterilisatietijd flink ingekort. De Admiraliteit kwam niet meer aan kwaliteitscontrole toe en heeft Franklin duizenden blikken bedorven voedsel meegegeven. Of het klopt? Het is mooi opgeschreven.