De liefste mensen zijn honden

Willem van Genk (1927-2005) is de koning van de outsider art. Zijn hyperpersoonlijke en raadselachtige werk staat volop in de aandacht. „Uit mijn hersens komen symfonieën.”

Op 7 maart 1997 krijgt schrijver Dick Walda een alarmerend telefoontje van zijn vriend Willem van Genk. De Haagse kunstenaar vertelt dat hij niet kan werken, „omdat de politieke politie zijn bril in de verduistering heeft gegooid”. Hij zegt snel een nieuwe bril nodig te hebben, zodat hij weer „eigeelscherp” kan zien, „en ook het lila weer desnoods, of dat blauw”.

Van Genk gaat steeds sneller praten, ‘Diederik’ zoals Van Genk zijn vriend noemt, kan alleen nog maar luisteren. Wat volgt is een van de chaotische monologen die Walda eind 1997 publiceerde in Koning der stations, het boek waarmee hij de versplinterde belevingswereld van zijn schizofrene vriend toegankelijk maakte.

„Zo gaat het niet langer, Diederik. Er zijn sferen in mijn huis die ze hebben aangebracht in de tijd dat ik er niet was. Het zien gaat zodoende minder. Dus je moet me meteen komen halen voor een nieuwe bril. Het moet er een van hoorn zijn, met glazen uit Duitsland of desnoods Tsjechoslowakije. En ik moet eruit zien als was ik een bankdirecteur uit Meppel. Kan dat?”

En dan, in één adem door: „De liefste mensen zijn honden. De staart kan me niet schelen. Een krul, of naar beneden hangend is ook goed. Ze moeten zwart-wit zijn. Wit-zwart kan ook. En ze moeten Coco heten. Mijn laatste hond was ingeschreven als Teddy. Maar Teddy is niks. Dat is een jongen die staat te fluiten. Coco, dat is de naam der namen. Je kunt hem alles vertellen. Al je geheimen, het is net een kind, een mens geworden. Dat neemt niemand me af.”

Willem van Genk (1929-2005), die van kinds af aan gefascineerd was door treinen, is niet alleen de zelfbenoemde ‘koning der stations’ geworden, voor velen is hij ook de koning van de outsider art, een begrip dat vaak wordt gebruikt voor niet-professionele kunstenaars die vanuit een zeker isolement een eigen vormtaal en thematiek ontwikkelen.

Na zijn dood is de belangstelling voor Van Genk alleen maar toegenomen. Onlangs verscheen opnieuw een boek over zijn werk, het vierde al. Het American Folk Art Museum in New York eert hem dit najaar met een retrospectief, en tegelijkertijd is Van Genk prominent vertegenwoordigd op een tentoonstelling van outsiderkunst in Parijs.

Op beide exposities is aandacht voor de vier soorten kunst waarmee Van Genk naam maakte. Zijn vroegste werken zijn getekende panorama’s van de Europese hoofdsteden die hij vanaf de jaren zestig bezocht: duistere universums vanuit vogelperspectief, bevolkt met overdonderende architectuur, luchtschepen, treinen, mensenmassa’s en reclames. Later maakte Van Genk complexe schilderijen, waarmee hij op hyperpersoonlijke wijze de bedreigende buitenwereld inventariseert. Schilderijen die bestaan uit een collage van beelden, verbonden met op het eerste gezicht raadselachtige teksten – zelf duidde hij ze als „symfonieën” die uit zijn hersens kwamen.

Op de tentoonstellingen in New York en Parijs staan ook de sculpturale trolleybussen die Van Genk vanaf 1985 maakte van bouwplaten en afvalmaterialen, toen hij was gestopt met schilderen. En dan is er nog het meest omstreden deel van zijn oeuvre: de lange kunststof regenjassen, die Van Genk met grote metalen drukknopen opwerkte tot ‘imponeerjassen’.

„Ik ben een vrijdenker, ik laat iedereen met rust. Waarom kunnen ze dat ook niet bij mij doen?”

Citaat Willem van Genk, door Dick Walda opgetekend in Koning der stations.

Willem van Genk had problemen met de wereld, en de wereld had problemen met Van Genk. Diverse malen werd hij gedwongen opgenomen in psychiatrische inrichtingen. Zwakzinnig, autistisch, schizofreen, een obsessieve haarfetisjist, een gebrek aan zelfrespect en een constant minderwaardigheidsgevoel – diverse psychiaters hebben zich over hem uitgesproken. Zelf vond Van Genk dat hij vooral zijn naam tegen had: één ennetje eruit en dan wist je het wel.

Maar hoe onaangepast en mensenschuw ook, van jongs af aan was duidelijk dat hij over een groot scheppend vermogen beschikte. Als kind lag hij vaak urenlang op de grond te tekenen, opgesloten in zijn eigen wereld. Op het reclamebureau waar hij na de ambachtsschool als jongste bediende aan de slag ging, liepen ze aanvankelijk met hem weg omdat hij zo prachtig kon tekenen. En toen de directeur van de Haagse kunstacademie zijn tekeningen onder ogen kreeg, besloot hij hem onmiddellijk aan te nemen, al beval hij zijn docenten wel aan om de nieuwe leerling met rust te laten: „Het niveau van Willem van Genk ligt buiten onze didactische vermogens.”

„Wat ik schilder en teken is flauwekul, dat ben ik zelf. Dat weet je toch, dat verdient geen uitleg.”

Outsiderkunstenaars houden geen rekening met de conventies van de kunstwereld. Voor Willem van Genk was kunst in de eerste plaats een medicijn tegen het alom door hem gesignaleerde kwaad, niet bedoeld om er mee naar buiten te treden, maar om er beter en sterker van te worden. Hij hield zijn tekeningen en collages het liefste om zich heen, in zijn volgepakte Haagse etage die decennialang zijn toevluchtsoord was.

Nico van der Endt, de eigenaar van de in outsiderkunst gespecialiseerde galerie Hamer in Amsterdam, publiceerde afgelopen voorjaar een kroniek over zijn lange samenwerking met Van Genk. Hij herinnert zich hoe verbijsterd hij in 1975 was na zijn eerste bezoek aan de etage van de kunstenaar: „Overal stonden boeken, tijdschriften, reissouvenirs en schilderijen – het leek een chaos. Maar als je goed keek, zag je dat alles perfect stond uitgestald, de tijdschriften bijvoorbeeld als in een kiosk. En dan die stortvloed aan woorden van Van Genk. Het was een dubbele lading, zowel auditief als visueel. Sprakeloos was ik. Maar ik hoefde ook niks te zeggen, want Van Genk sprak aan één stuk door. Ik begreep niets van wat hij zei. Later begon ik pas systeem te ontdekken in de manier waarop hij sprak, met al die zijsprongen. Na twee uur ging ik doodmoe naar huis.”

„Ken je de sonate voor altviool en piano, het Achtste strijkkwartet van Sjostakovitsj? Dat helpt je door de modder, door de stront, en verslaat al dat aanvallende tuig om me heen. Luister er maar eens naar!”

Schrijver en documentairemaker Dick Walda ontmoette Van Genk toen hij in 1981 in Den Haag voor studenten een lezing hield over Siberië. „Tussen die studenten zat een heer, als een admiraal uitgedost, in een lange jas die hij niet uitdeed. De studenten lachten hem uit omdat hij zo plat Haags sprak. Maar die man stelde als enige knappe vragen. Hij wilde een treinreis maken met de Transsiberië Express. Ik stelde voor om na afloop in de restauratie van Hollands Spoor verder te praten. Hij was enorm nerveus en heel achterdochtig. Later begreep ik waarom: hij was gewend om niet serieus te worden genomen. En dan opeens iemand die naar hem luisterde en koffie voor hem betaalde. Zijn eerste reactie was: Wat moet die vent van me? Wil hij me soms bestelen?”

„Alles heeft met alles te maken, altijd. Je kunt het zien in de dingen die ik heb gemaakt. Noem het voor mijn part kunst. Wat kan mij het schelen.”

Het hoofd van Willem van Genk zat vol met stemmen en om hem heen bespeurde hij tekenen van bedreigende raadsels. Permanent voelde hij zich belaagd door ‘gajes’; gespuis dat hem de pas afsneed, hem bestal, hem discrimineerde en afluisterde, of hem wilde oppakken om hem boven zee uit een vliegtuig te werpen, of naar een werkkamp zonder telefoon te sturen, in een land dat in geen enkele atlas stond.

Van Genk was een eenzame, diep ongelukkige man, zegt Walda, die in 2001 samen met regisseur Jan Keja de televisiedocumentaire Ver van huis over Van Genk maakte. Walda ontfermde zich over de kunstenaar, eerst als een wijze broer, later meer als vader en verzorger. „Zijn genialiteit fascineerde me. Zijn kunst, natuurlijk, maar vooral die geheimtaal, waarin alles met elkaar te maken heeft, op Willems manier dan. Die taal wilde ik leren begrijpen.”

Al snel ontdekte Walda dat hij mee moest gaan in de denktrant van Van Genk. „Op een oudejaarsdag belde hij me ’s ochtends op. ‘Dick, het nieuwe jaar kan niet beginnen.’ Waarom niet, Willem? ‘Omdat ik een hond wil, een Amsterdamse asielhond.’ In Den Haag is ook een asiel, Willem. ‘Nee, die Haagse honden hebben kapsones. Jij komt me nu ophalen.’”

Walda pikte zijn vriend op en samen zochten ze die middag in een asiel op de Polderweg in Amsterdam Coco uit, een lief hondje dat op de terugweg de auto onderscheet. Walda met een glimlach: „En toen kon het nieuwe jaar gelukkig alsnog beginnen.”

„Ik ben toch afkomstig uit het lompenproletariaat? Ik mag dan een beetje kunnen schilderen en wat van muziek weten: ik blijf verdoemd.”

Willem van Genk was het tiende kind van een chocolatier uit Voorburg, die had geweigerd na negen dochters de hoop op een jongen op te geven. Maar kleine Willem was niet de gedroomde stamhouder. Met zijn goudblonde krullen was hij net een meisje, bovendien kreeg zijn vader geen vat op hem. „Wim was een cakekind, hij lustte geen brood”, herinnerde zijn zus Tine zich haar broertje later.

Na de ambachtsschool versleet Van Genk een trits werkgevers; wegens onaangepast gedrag werd hij keer op keer ontslagen. Uiteindelijk belandde hij bij de Werkplaats AVO, Arbeid Voor Onvolwaardigen. Toen hij daar tussen verstandelijk gehandicapten afwasborstels in elkaar moest zetten, kwam Van Genk in opstand.

Een andere traumatische ervaring waar hij later herhaaldelijk aan refereerde, is een verhoor door de Gestapo, dat hij als negentienjarige moest ondergaan. Omdat zijn vader in het verzet zat, haalden de Duitsers zijn ouderlijk huis overhoop. Met hun gesnauw en hun lange leren jassen maakten de agenten diepe indruk op de jonge Van Genk, die geen idee had waar zijn vader uithing.

„Zit ik in de tram en rijd ik langs een dameskapsalon, dan hou ik het niet meer. Gauw de volgende halte eruit.”

Van Genk ging op latere leeftijd op grote schaal lange kunststof jassen verzamelen; na zijn dood werden er in zijn huis zeker tweehonderd gevonden. Met een hamer en aambeeld sloeg hij ritsen metalen drukknopen in de jassen.

Hij verbaasde zich over het gebrek aan belangstelling voor dit deel van zijn oeuvre: „Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, zei hij herhaaldelijk. „Als je er nou maar genoeg van hebt, kan je niks gebeuren.”

Met zo’n ‘imponeerjas’ om de schouders voelde Van Genk zich machtig. Als hij dan voorbij een kapperszaak kwam met vrouwen met lang, van shampoo schuimend haar, kon hij erg opgewonden raken. Dikwijls werd hij opgepakt voor exhibitionistisch gedrag.

Walda: „Willem had een van zijn psychiaters ooit verteld over zijn fascinatie voor haren en shampoos. Die man schreef hem voor naar de hoeren te gaan, dat zou de oplossing zijn voor al zijn problemen. Zijn katholieke zusters vonden dat natuurlijk een schande, maar hij kreeg toch toestemming van ze. Willem kocht 144 flessen shampoo, een gros, en ontving thuis prostituees. Die hoefden niet veel meer te doen dan in zijn keuken hun haren te wassen.”

„Huilen doe ik weinig, maar janken, dat wel. Janken is erger dan huilen, wat meisjes doen. Dat stelt niks voor, huilen. Nee, ik jank. Om de verdwenen Coco, ach wat mis ik die Polderweghond, het kind, mijn kind.”

Dick Walda denkt nog vaak aan zijn oude vriend. „Als ik in de auto zit, zie ik Willem weer als een heertje op de achterbank zitten, zijn vaste plek in de auto. Dan wees hij me waar de kapsalons in de stad zaten. Laatst herinnerde ik me ook hoe ik Willem moest vertellen dat Coco was afgemaakt, dat had zijn zuster laten doen toen Willem weer eens was opgenomen. Hij was zeer ontdaan. ‘Ik moet naar het asiel’, zei hij meteen, ‘ik wil de halsband terug’. In het asiel hingen honderd halsbanden aan een rek. Feilloos pikte hij de band van Coco eruit en deed die zelf om.”

Toen hij weer thuiskwam, plakte Van Genk een affiche van een tragisch kijkende hond op een stuk karton, en zette die in de mand van Coco. Aan Walda vertelde de kunstenaar: „Je hoort af en toe weleens een hond blaffen. Op straat of op de trap. Dan denk je: dat is je kind. Komt thuis uit school, de Hondenschool. Daar heb je Coco! Maar nee, mis. Niemand komt thuis.”

Willem van Genk: Mind Traffic t/m 30 november in het American Folk Art Museum in New York. De tentoonstelling telt 54 kunstwerken en twintig regenjassen. folkartmuseum.org

Sous le vent de l’art brut 2: La collection De Stadshof, 17 sept t/m 4 jan 2015 in Halle Saint Pierre in Parijs. Op deze groepstentoonstelling zijn zes tekeningen en schilderijen en vier trolleybussen van Van Genk te zien. www.hallesaintpierre.org

Museum Dr. Guislain in Gent laat permanent een groot trolleybusstation van Van Genk zien, in combinatie met zo’n tien schilderijen en tekeningen en een aantal van zijn regenjassen, ook tijdens de tentoonstellingen in Parijs en New York. museumdrguislain.be