Bijt de journalist nog wel door?

De financiële journalistiek heeft collectief gefaald omdat ze niet waarschuwde voor de kredietcrisis, betoogt Dean Starkman. Iedereen keek te veel door de bril van de bankiers.

Journalisten zien zichzelf graag als waakhonden. Door wat zij aan het licht brengen, zijn burgers in staat hun rol in een democratische staat te vervullen en is de samenleving uiteindelijk beter af. Daarin ligt een belangrijke legitimatie van de journalistiek.

Maar in de aanloop naar de kredietcrisis, die in 2007 begon en in 2008 het hele financiële systeem op zijn grondvesten deed schudden, blafte de waakhond niet. Niet dat die lag te slapen. Het was erger, betoogt Dean Starkman in zijn boek The Watchdog That Didn’t Bark: hij zat de handen te likken van de zakenbankiers wier verwoestende derivatenhandel burgers miljarden armer maakte. De waakhond was schoothond geworden.

Starkman is redacteur van de Columbia Journalism Review, het meest gezaghebbende vakblad over journalistiek ter wereld. Daarin verzorgt hij sinds voorjaar 2007 ‘The Audit’, een rubriek over financiële journalistiek. Voordien werkte hij onder meer voor The Wall Street Journal.

Nu kun je erover twisten of het de taak van journalisten is burgers te waarschuwen. Sommigen vinden dat zij er slechts zijn om te beschrijven wat er gebeurt, niet om te waarschuwen voor wat er zou kunnen gebeuren. Dat is volgens mij een te beperkte taakopvatting: als je naderend onheil ziet, móét je waarschuwen, moet je burgers informeren. Hoe kun je anders volhouden dat je daarvoor nodig of zelfs onmisbaar bent?

Code rood

Maar hadden journalisten ook kúnnen waarschuwen? Zagen ze het onheil naderen? Zelf zeiden velen – achteraf – van wél. Ze hadden ook gewaarschuwd. Zoals Diana Henriquez, economisch onderzoeksjournalist van The New York Times, zei: ‘De regering, de financiële sector en de Amerikaanse consument hadden zich – als ze maar hadden opgelet – door ons ruimschoots gewaarschuwd kunnen achten voor deze crisis.’ Maar wat stelden die waarschuwingen voor?

Starkman zocht het uit. Hij filterde de elektronische archieven van negen voor financiële berichtgeving belangrijke media (acht Amerikaanse plus The Financial Times) van 2000 tot 2009 op artikelen die mogelijk kunnen worden gelezen als een alarm, een code rood voor de nakende crisis: artikelen over malafide hypotheekverstrekkers en hun financiers op Wall Street. Om er zeker van te zijn niets relevants te missen, vroeg hij al die media ook om hun beste verhalen uit die periode op een rij te zetten. In totaal analyseerde hij met twee assistenten duizenden artikelen.

De uitkomsten zijn verrassend. In de eerste jaren – tot 2004 – waren er volop verhalen over hypotheekverstrekkers die huizenkopers leningen aansmeerden die ze nooit zouden kunnen betalen. Deze praktijken vormden het uiteinde van de lont die het kruitvat zou doen exploderen. Hier ontwikkelde zich een schandaal, en dat gebeurde niet onopgemerkt: 1-0 voor Diana Henriquez.

In de jaren daarna verdwenen die verhalen opvallend genoeg, terwijl het probleem alleen maar urgenter werd: 1-1. Waarom wilden adviseurs en banken zo graag hypotheken slijten aan klanten die zich die niet konden veroorloven? Omdat ze provisie kregen. En omdat ze de risico’s konden doorschuiven. Die laatste stap is cruciaal in het ontstaan van de kredietcrisis. Riskante hypotheken werden in pakketjes doorverkocht, slimme zakenbankiers ontwikkelden daarop gebaseerde producten (derivaten) waarmee ze stukjes risico aan hun klanten konden verkopen. Die klanten waren minder slimme bankiers en beleggers die zich niet realiseerden wat voor explosief materiaal ze in huis haalden.

Daklozen

Over de connecties tussen deze derivatenindustrie en de hypothekenpraktijk zijn de verhalen in de onderzochte periode op één hand te tellen. Dus Starkman heeft grotendeels gelijk: een heldere waarschuwing ontbrak, dat toont hij overtuigend aan.

Daarvoor heeft hij twee verklaringen. Ten eerste een traditie binnen de financiële journalistiek van access journalism: journalistiek die is gebaseerd op toegang tot belangrijke zegslieden. Hoogtepunten uit deze werkwijze zijn veelal reconstructies waarbij de verslaggever het verhaal kan opschrijven alsof hij erbij was, omdat hij heel veel betrokkenen heeft gesproken.

Tegenover deze vorm van journalistiek staat accountability journalism, waarbij machthebbers worden geconfronteerd met de gevolgen van hun daden: doordat uw bank klanten slecht informeerde en veel te dure hypotheken aansmeerde, zijn duizenden Amerikaanse gezinnen dakloos geworden. Zulke verhalen zijn schaars, al is het alleen maar omdat financieel journalisten zelden met daklozen spreken.

Ten tweede de gewoonte op financiële redacties om artikelen die erg kritisch zijn over bepaalde bedrijven te formuleren in termen van prestaties van het bedrijf of de leiding daarvan in relatie tot die van concurrenten. Een falende bestuursvoorzitter is iemand die leiding geeft aan een bedrijf dat minder winst maakt dan zijn concurrent – niet iemand die rotzooi verkoopt aan zijn klanten.

Dit zijn steekhoudende argumenten, maar er is wel meer aan de hand. Hoewel allerlei media – ook deze krant – in de loop der jaren wel eens schreven over de gigantische groei van de derivatenmarkt, bleef deze ondanks die omvang een obscuur, moeilijk toegankelijk en misschien ook wel saai stukje van de financiële sector. Er waren tot 2007 welgeteld twee journalisten in de wereld die daar enigszins in thuis waren: Gillian Tett van de Financial Times en Mark Pittman van het financiële persbureau Bloomberg. Laat staan dat er journalisten waren die de hele keten overzagen, van slechte hypotheken in de Verenigde Staten via de derivaten van de zakenbankiers naar de portefeuilles van pensioenfondsen, banken, verzekeraars en beleggingsfondsen.

Hoe scherp zagen direct betrokkenen, zoals bankiers, de crisis zelf?

Vooral niet, of in elk geval betrekkelijk laat. Een voormalig lid van de raad van bestuur van een grote Nederlandse bank klaagde begin 2008 nog tijdens een op uitnodiging van de redactie gehouden bespreking van deze krant over het bezigen van de term ‘kredietcrisis’ als trefwoord. Dat was toch wel wat erg alarmistisch. Niet veel later moest zijn bank met belastinggeld overeind worden gehouden.

De ernst, de reikwijdte en de complexiteit van de crisis zijn door vrijwel iedereen onderschat, ook door degenen die heel dicht bij het vuur zaten. En ook door journalisten. Ze hebben niet gewaarschuwd. Of in elk geval niet duidelijk genoeg.

Starkman verdient lof voor zijn empirisch onderzoek, en voor de reconstructie van de traditie van access journalism in de financiële journalistiek. Maar zijn analyse schiet tekort in internationaal perspectief – geen woord over wat zich buiten de Verenigde Staten afspeelde – en heeft te weinig oog voor de complexiteit van de kredietcrisis. Ja, er waren bad guys zonder wie de kredietcrisis er niet geweest was, of in elk geval niet op dat moment en in die omvang. Maar het was niet alleen maar hun schuld. Structuur en mechanismen van de crisis waren – zeker aanvankelijk – voor iedereen onduidelijk, ook voor de waakhonden.