Witte wijn drinken in de witte fauteuils van Curzio Malaparte

Vertaler Jan van der Haar bezocht tijdens het werken aan het dagboek van Curzio Malaparte de privéwoning van de auteur op Capri.

Malapartes ‘Casa come me’ op Punta Masullo, een rotsige uitloper hoog boven zee aan de oostkust van Capri. ANP

Na tien jaar werk van de Italiaanse schrijver/journalist Curzio Malaparte (1898-1957) te hebben vertaald wilde ik wel eens zijn woonhuis bezoeken. Roberto Calasso, zijn uitgever, verwees me al naar de erven Malaparte. En zo maakte ik najaar 2010 in Florence kennis met de nicht en aangetrouwde achternicht van de schrijver. Het klikte en ik werd uitgenodigd in Casa Malaparte op het Italiaanse eiland Capri: „Een privéwoning, geen museum”, werd mij voorgehouden. Je komt er dus niet zomaar.

Om allerlei redenen werd het bezoek van jaar tot jaar uitgesteld. Malapartes optrekje is niet erg toegankelijk. Casa come me noemde hij het, ‘een huis zoals ik’: groots, uitdagend, opvallend, teruggetrokken, nergens bijhorend en geheel op zichzelf staand. Hij heeft het zelf ontworpen. In 1938 werd met de bouw begonnen op Punta Masullo: een rotsige uitloper hoog boven zee aan de oostkust van Capri. In 1940 was het klaar: 10 meter breed en 54 meter diep, in drie verdiepingen. Een in de rotsen verzonken rode doos die voorgoed modern, want zonder bouwtraditie is, afgezien van de trap naar het platte dak die lijkt gepikt van de Santa Annunziata op het eiland Lipari, waar Malaparte in 1933 en 1934 in ballingschap heeft gezeten.

Ten langen leste werd afgesproken dat ik dit voorjaar naar Capri zou gaan om er het nawoord te schrijven bij Malapartes Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Maar het weer spookte en voor de zoveelste keer werd mijn bezoek opgeschort. Maandenlang hoorde ik niets meer uit Italië. Toen alle hoop leek vervlogen, kwam de definitieve uitnodiging: van 5 tot 10 juli was ik welkom.

Dansend op de taxiboot vanaf de woelige zee zag ik het liggen. Het eerste wat me opviel was dat alles nog groter bleek dan gedacht. Dat begon al vanaf de steiger met de trappen langs de rotswand omhoog: ruim, met een riante leuning. Boven passeerde ik een hoog witgeschilderd hek en kwam bij het terras waar ik werd begroet door het geblaf van de honden Luna en Febo, door de vrouw des huizes, haar zoon en twee andere gasten. Ik werd ondergebracht in een van de gastenverblijven op de begane grond. Ook het badkamerraam keek uit op de faraglioni, de uit zee oprijzende klippen. Ik moest me in de arm knijpen.

De volgende dag bezocht ik de eerste verdieping met de balzaalgrote salon, nagenoeg in oude staat. Tegen voor- en achterwand witte fauteuils en witte banken. Links en rechts tweemaal de ingelijste zee. Rechts de haard met de glazen achterkant zodat je door het vuur heen water kon zien branden. Malaparte was dol op dergelijke paradoxen.

Mijn finest hour beleefde ik later die middag, in zo’n fauteuil met Malapartes archief (vol. VIII, 1948-1949) op schoot. Mijn blik dwaalde af naar de pijnbomen en daarachter de zee, en ik zag het water voortgezet in de grillig gevormde blauwgrijze tegels op de vloer. Malaparte zei daarover: „At least one can’t dance on it.

Freddy, de Filippijnse huisknecht, bracht me een glas gekoelde witte wijn. En ik mijmerde over het verleden van deze ruimte: de wisselende vriendinnen, de gesprekken met Alberto Moravia, Elsa Morante, met de Franse vertalers Raymond Guérin, René Novella, de filmopnamen voor Le Mépris, voor La Pelle, met Brigitte Bardot, Marcello Mastroianni, Claudia Cardinale. Maar ook vermoedde ik Malapartes alles verzwelgende, zo noodzakelijke eenzaamheid. Die werd verdreven in zijn studeerkamer aan het wandbrede eikenhouten bureau. Ik berook zijn okerrode poncho uit Argentinië, zag zijn foto’s uit China, ‘de vier zwarte Madonna’s’ uit Ethiopië aan de muur. Dit was zijn huis.