Waarom verdwijnt iedereen?

In een aangrijpend romandebuut dramatiseert deze New Yorkse schrijver hoe verschillend een vader en zoon, vervreemd van elkaar, met geloof omgaan. Is het überhaupt wel verstandig te geloven?

Scott Cheshire: ‘Volg je de regels of kies je zelf wat je wél of niet gelooft?’ Foto Beowulf Sheehan

Voor een land dat staat en kerk gescheiden houdt, is Amerika zeer gelovig. Toch wordt het christelijk geloof in de hedendaagse literatuur grotendeels vermeden. Vijftig jaar geleden was dat anders. Flannery O’Connor schreef in haar essay ‘Novelist and Believer’ dat de grootste strijd in het leven, en dus het voornaamste onderwerp voor schrijvers, ‘het verlies of behoud van de ziel’ is. Nog steeds zijn er genoeg schrijvers die religie in hun werk verweven – McCann, DeLillo, Eugenides –, maar vaker als aankleding dan als plot; hedendaagse romans bekommeren zich zelden om de worsteling van personages met hun geloof.

De titel van het debuut van Scott Cheshire, High as the Horses’ Bridles, verwijst naar het geloof dat Armageddon nabij is, en dat het bloed van de zondaars door de straten zal lopen ‘zo hoog als de teugels van de paarden’. Maar de eindtijd die de hoofdfiguur Josiah Laudermilk om zich heen ziet, is uitsluitend van een wereldlijke natuur: de kanker van zijn moeder, de mysterieuze verdwijning van zijn jeugdvriend, de dood van zijn eerste vriendin. Als twaalfjarige voorspelde hij tegenover een publiek van vierduizend man dat de wereld in het jaar 2000 zou vergaan. Inmiddels is het 2007 en is hij een gescheiden, gedesillusioneerde dertiger, die afstand heeft genomen van zijn geloof en van zijn volledige naam: hij gaat als Josie door het leven. Wanneer hij van zijn ex te horen krijgt dat zijn vader ziek is, keert hij terug naar New York, waar hij is opgegroeid. Daar treft hij zijn vader in een religieuze manie: de man gaat gekleed in een lendendoek en is graatmager, want hij eet alleen brood en wijn op zondag.

High as the Horses’ Bridles is een ontroerend portret van een vervreemde vader en zoon die gedwongen zijn weer bij elkaar in huis te wonen, en van de rol die religie in een leven kan spelen. Josies vader leeft in de teleurstelling dat ‘de oogst is afgelopen, de zomer voorbij is en wij niet gered zijn’. Toch begrijpt Josie waarom zijn geloof beklijft: ‘Ik ben er niet zo zeker van dat geloof iets is dat je kunt verliezen. Net als elke liefde die we hebben gekend, blijven er altijd resten in ons achter, in onze cellen.’ Dit is het soort literatuur waar Flannery O’Connor voor pleitte: literatuur die dramatiseert hoe mensen met hun religie omgaan. Volg je alle regels nauwgezet of kies je zelf wat je wel of niet gelooft? Is het überhaupt wel verstandig om te geloven? Josies vader heeft visioenen van zijn overleden vrouw — is dat seniliteit, of put zijn vader juist troost uit zijn geloof, iets dat Josie, wiens leven geen stralend voorbeeld is van hoe het is om ongelovig te zijn, zelf ontkent?

Dergelijke vragen heeft de auteur ook aan zichzelf gesteld. De 41-jarige Scott Cheshire is namelijk als Jehova’s getuige opgevoed, maar heeft als twintiger de kerk verlaten. Hij ging naar het Hunter College in New York, waar een van zijn leraren, de National Book Award-winnaar Colum McCann, hem aanspoorde zijn korte verhaal over de twaalfjarige Josiah die een visioen krijgt van het eind van de wereld, uit te breiden tot een roman. Dat verhaal vormt nu het begin van High as the Horses’ Bridles. De rest van het boek gaat vooral over Josie’s terugkeer naar New York vijfentwintig jaar later, maar aan het eind neemt het een verrassende sprong naar Kentucky in 1801, naar een voorouder van Josie. Deze non-lineaire aanpak staat in scherp contrast met het apocalyptische geloof van de Jehova’s en geeft het verhaal iets tijdloos: het draait niet alleen om Josies leven, maar ook om de geschiedenis van religie in Amerika. Het boek kreeg lovende recensies in onder meer The New York Times en The Washington Post.

De werktitel van High as the Horses’ Bridles was ‘The Ends’. Het boek zit vol eindes: van relaties, van het leven, van Queens, de buurt waar Josie is opgegroeid en die onherkenbaar is veranderd. Over Josies jeugd schrijft Cheshire: ‘De dood had in die tijd een harde buitenkant, zwart en metaalachtig. En toen, op een dag — kwamen we te dichtbij?’ Waarom is alles en iedereen verdwenen? Een van de aantrekkelijkste aspecten van het christelijk geloof is natuurlijk de belofte van een hiernamaals. Wat deze roman zo aangrijpend maakt, is dat de kernbegrippen waar hij uiteindelijk om draait niet alleen christelijk, maar universeel zijn: liefde en hoop — liefde voor een ander, en hoop dat iedereen die we zijn kwijtgeraakt in het leven niet voorgoed verloren zullen blijven. Scott Cheshire heeft een roman geschreven volgens Flannery O’Connors voorbeeld, waarin iedereen zich kan herkennen.