Verdrag zet wet in Nederland te koop

Als wij niet naar gas willen boren, dan hoort een verdrag met de VS dat niet te verhinderen, meent Harm Schepel.

In het Europees Parlement is onrust over het plan om een investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO) op te nemen in het geplande vrijhandelsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten (TTIP). De Commissie zag zich zelfs gedwongen de onderhandelingen met de VS stop te zetten en een openbare raadpleging te beginnen. In die IBO’s wordt afgesproken dat het ene land investeerders uit het andere land tenminste net zo goed behandelt als lokale ondernemingen, en in geval soms belangrijk beter. Deze investeerders krijgen ook het recht om grieven tegen het gastland (dat bijvoorbeeld niet naar schaliegas wil laten boren) rechtstreeks voor een arbitragetribunaal te brengen, dat vervolgens naar internationaal recht bepaalt of en zo ja hoeveel schadevergoeding er betaald moet worden.

Investeren in landen met corrupte, veranderlijke of anderszins onbetrouwbare overheden en kreukbare rechters brengt immers grote risico’s met zich mee. Als zo’n land buitenlandse investeringen wil aantrekken, zo is het idee, moeten ze de rechtszekerheid die ze zelf niet kunnen bieden maar uitbesteden. Er zijn wereldwijd bijna 3000 van deze bilaterale verdragen. Nederland kan goed mee in de IBO-ranglijst: we hebben dit soort verdragen met 98 landen, van Albanië to Zambia. Natuurlijk zijn de verplichtingen in zo’n verdrag formeel wederkerig, maar daar liggen we niet wakker van. Op de Waddenzee hebben ze nog nooit een Zambiaan naar gas zien boren.

Maar wat ooit werd verkocht als ontwikkelingsbeleid is al snel verworden tot een postkoloniaal rondje derde wereld pesten. Arbitragetribunalen maken van het internationale recht een giftig neoliberaal manifest. Zo hebben ze bedacht dat uit de verplichting om ‘fair and equitable treatment’ te verlenen volgt dat overheden gehouden zijn een ‘stabiel juridisch raamwerk en ondernemingsklimaat’ te garanderen. Ze verzinnen de gekste dingen om de drempel om zaken aan te spannen lekker laag te houden. Zo komen er steeds meer zaken over steeds grotere bedragen die steeds makkelijker gewonnen worden, en wordt er fijn verdiend in de arbitrage-industrie. Of het juridisch nog een beetje deugt, wordt zelden gevraagd. Dat verpest de sfeer maar. Want het is reuze gezellig in de arbitrage industrie. Arbiters, hoogleraren, advocaten en overheidsfunctionarissen hebben zich verenigd in een IBO Feestcomité, bijeengehouden door wederzijdse benoemingen, ratelende draaideuren en bakken geld.

Er is nu bedacht dat we zo’n verdrag met de VS moeten sluiten. Dat lijkt op het eerste gezicht vreemd. De VS en de lidstaten van de Unie vinden zichzelf en elkaar immers fatsoenlijk en betrouwbaar, een enkele afluisterpraktijk daargelaten. Investeerders over en weer vinden dit blijkbaar ook, gezien de duizelingwekkende bedragen die er over de Atlantische oceaan vliegen. We zijn ook allemaal erg trots op onze rechtsstelsels: we beschermen eigendomsrechten, we discrimineren niet, en we hebben over het algemeen kundige en onafhankelijke rechters.

Minister Ploumen begrijpt ook wel dat niemand de noodzaak Nederlandse investeerders in de VS te beschermen echt serieus kan nemen. Dus gooit ze het over een andere boeg: we moeten TTIP zien als ‘de kans om een nieuwe mondiale standaard voor evenwichtige, moderne investeringsverdragen neer te zetten.’ Kortom: nu we eindelijk zo’n verdrag met een serieus land gaan sluiten en er zelf last van zouden kunnen krijgen, gaan we iets doen aan de wantoestand die we decennialang aan ontwikkelingslanden hebben opgedrongen. Nu wil ze samen met haar Europese collega’s iets doen aan de interpretatievrijheid van arbitragetribunalen, een eind maken aan belangenverstrengelingen, en de ‘beleidsvrijheid’ van verdragspartijen garanderen. Zo, verzekert ze, worden de risico’s voor Nederland beperkt. Dat staat immers in het onafhankelijk onderzoek dat ze heeft laten uitvoeren door Freya Baetens, deeltijds docente aan de Leidse universiteit, deeltijds werkzaam als advocate in het investeringsrecht aan een Brussels kantoor, en deeltijds lobby-campagne leidster van CEFIC, de Europese club van de chemische industrie. De minister is de schaamte al lang voorbij.

Dat er van deze ‘Goudstandaard’ niets terecht gaat komen, en dat dit ook helemaal de bedoeling niet is, blijkt overduidelijk uit de ontwerp-verdragstekst van de Commissie. Zo staat die ‘beleidsvrijheid’ van partijen er wel in, maar als uitzondering. Er mag gereguleerd worden, maar alleen voor zover dat noodzakelijk is. Dat hangt er van af of de schade geleden door de buitenlandse investeerder wel evenredig is aan de doelstellingen van de maatregel. Wat is evenredig? Goede vraag. Bij het Feestcomité hebben ze er vast een goed antwoord op.

Dit verdrag heeft natuurlijk niets te maken met het beschermen van onze bedrijven in den vreemde. De bedoeling van dit verdrag is er voor te zorgen dat alle partijen zichzelf juridisch verplichten een stabiel ondernemingsklimaat te garanderen. Die zekerheid kunnen we ondernemend Amerika maar vooral ondernemend Nederland anders niet bieden – daar staat de Grondwet maar in de weg, en ook de democratie. Misschien willen we toch eens aan Starbucks vragen of ze toch niet zo nu dan, voor het idee, een heel klein beetje belasting willen betalen. Misschien gaan we bonussen aan banden leggen, of nog eens een bank nationaliseren. Misschien halen we het wel in ons hoofd om het winnen van schaliegas maar gewoon helemaal te gaan verbieden. Je moet er toch niet aan denken. Nee, de betrouwbare overheid bindt zich aan de mast, en besteedt de rechtsstaat gewoon uit.