Veel gibbonsoorten door ‘rondslingerend’ DNA

De variatie in gibbonsoorten is groot, omdat een mobiel stukje DNA hun chromosomen door elkaar husselde.

Een gezinnetje witwanggibbons. Vrouwtjes van deze soort zijn wit, mannetjes zwart. Jongen worden wit geboren. Foto Heather Angel

De gibbons van Zuidoost-Azië zijn een spectaculair voorbeeld van snelle soortvorming. Hun instabiele chromosomen kunnen de oorzaak zijn, stond donderdag in de publicatie over het genoom van de gibbon in Nature. Van alle soorten mensapen was het genoom al bekend, maar van hun naaste verwant de gibbon nog niet. Gibbons hebben net als mensapen geen staart. Ze communiceren met gezang, zijn monogaam en kunnen geweldig slingeren.

Voor evolutiebiologen is de gibbon interessant, omdat er zo veel nauw verwante soorten zijn. Die lijken soms zo op elkaar, dat taxonomen het niet eens zijn over het aantal gibbonsoorten – de meningen lopen uiteen van 17 tot 19. In ieder geval zijn er vier hoofdgroepen. De siamang (geslacht Symphalangus) is in zijn eentje; er zijn twee soorten hoelok (Hoolock), en de rest behoort tot de verwante geslachten Hylobates en Nomascus.

Een groot internationaal team onder leiding van Lucia Carbone van Oregon Health & Science University (VS) analyseerde het genoom van vijf gibbonsoorten: één soort uit elke hoofdgroep en een extra Hylobates.

De vier gibbongroepen hebben elk een ander aantal chromosomen, van 38 tot 52 (de mens heeft er 46). Bekend was al dat alle groepen vijf miljoen jaar geleden zijn ontstaan, in de tijd dat het klimaat en de zeespiegel in Zuidoost-Azië snel veranderden. Dat is een korte periode voor zulke radicale wijzigingen van het chromosoomaantal.

In het genoom van de gibbons vond Carbone de mogelijke veroorzaker: een mobiel stukje DNA dat zich op allerlei plekken in het genoom kan inbouwen (een ‘retrotransposon’). Dit retrotransposon is in de genomen van gibbons vooral te vinden bij genen die een rol spelen bij de celdeling. Dat zorgt voor (relatief) veel fouten bij de celdeling, wat leidt tot uitwisseling van grote stukken van chromosomen.

De zo ontstane genetische diversiteit kon in het veranderende klimaat voordelig zijn, en zo nieuwe – beter aan de lokale omstandigheden aangepaste – soorten doen ontstaan.

In een eigen interview van Nature zegt Carbone dat het team had willen bepalen in welke volgorde de vier gibbongroepen zijn ontstaan, vijf miljoen jaar geleden. Maar geen enkel algoritme voor DNA-stambomen leverde iets op. „De soortvorming moet bliksemsnel plaatsgevonden hebben.”

Er zijn meer voorbeelden van snelle soortvorming waarbij mobiele DNA-elementen een rol speelden, zoals bij zonnebloemen en aardappelziekte. Bio-informaticus Berend Snel van de Universiteit Utrecht vindt de vondst bij gibbons „interessant”. Dat een transposon specifiek celdelingsgenen beïnvloedt, noemt hij plausibel. „Maar statistisch is het moeilijk keihard te maken.”