Van splitsing wordt de NZa niet minder beïnvloedbaar

Minister Schippers van Volksgezondheid voelt wel voor scheiding van toezicht en regelgeving bij NZa. Dat lost niets op, meent Marcel Canoy.

Het debat over de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dreigt te ontaarden in een schijngevecht. De commissie-Borstlap, die de affaire-Gotlieb onderzocht, kwam met de aanbeveling om de zorgtoezichthouder te splitsen in een deel dat toezicht houdt op de zorg en in een deel dat regels voorschrijft aan de zorg. Deze splitsing, waar de minister ook wel voor voelt, zal niets oplossen en leidt de aandacht af van het kernprobleem: de onafhankelijkheid van de toezichthouder met het ministerie.

Frappant is dat voor de splitsing in het rapport van de commissie noch in de separaat uitgevoerde vuistdikke evaluatie van de NZa door het bureau AEF (waar de NZa overigens gematigd positief uitkomt) een helder argument voor wordt gegeven.

Regulering en toezicht zijn heel vaak in dezelfde handen, bijvoorbeeld bij de Nederlandsche Bank, de Autoriteit Consument en Markt of het College Bescherming Persoonsgegevens. Waarom is dat zo? Een voorbeeld. Stel de NZa wil dat de markt van orthodontisten goed gaat werken. Daar kan de NZa voor zorgen door de tarieven te reguleren, de toegang te bevorderen of toezicht uit te oefenen. Wel handig want dan kunnen partijen geen misbruik maken van marktmacht door bijvoorbeeld de toegang tot het beroep te beperken of door te hoge tarieven te vragen.

Als de markt redelijk werkt, is toezicht voldoende, maar als de markt slecht werkt omdat er bijvoorbeeld te weinig orthodontisten zijn en consumenten de kwaliteit niet kunnen beoordelen, is tariefregulering nodig. Welk publiek belang er bij gediend is deze instrumenten te verdelen over twee verschillende toezichthouders ontgaat me volledig. Als er sprake zou zijn van ongewenste conflicterende belangen, dan zou dat toch ergens uit moeten blijken? Ik heb geen enkel incident kunnen vinden in de rapporten.

De commissie-Borstlap lijkt zich vooral te baseren op de incidenten met het Oogziekenhuis en het Erasmus Medisch Centrum maar die affaires hadden niets met belangenverstrengeling te maken. AEF concludeert vooral dat problemen ontstaan omdat het ministerie van tijd tot tijd met beleid op de proppen komt die de uitvoering van de kerntaak van de NZa bemoeilijkt. Zo deed de NZa een kostenonderzoek bij huisartsen, maar kon de tarieven vervolgens niet korten omdat de minister plotseling een convenant met de huisartsen sloot.

Het curieuze idee om de NZa te splitsen leidt af waar het werkelijk om draait op dit dossier: er zijn geen heldere afspraken gemaakt tussen NZa en ministerie over de gewenste onderlinge afstand. Bij organisaties die al een traditie hebben van onafhankelijkheid zoals het CPB en DNB is het in de praktijk duidelijk waar de bevoegdheden van het ministerie ophouden en bemoeienis ongewenst wordt. Bij een jonge organisatie als de NZa, waar bovendien ex-politici of voormalige topambtenaren de scepter zwaaiden, is het grijze gebied tussen gezonde afstemming en ongewenste bemoeienis te groot.

In de praktijk gaat de politiek dan gebruik maken van de geboden ruimte. Dat is ongewenst want de NZa moet fungeren als onpartijdige scheidsrechter. Als ze dan beleid uitvoert waar zorgaanbieders last van hebben (bijvoorbeeld door lagere tarieven te stellen dan deze zouden willen), gaan ze snel lobbyen bij de minister. Je hebt juist een onafhankelijke toezichthouder opgericht om dit te verhinderen.

Een gewenste relatie betekent dat het ministerie zich in beginsel niet met individuele dossiers bemoeit. Uiteraard kan het ministerie in ambtelijk overleg feedback geven op stukken en de gewenste timing of toonzetting afstemmen. Dat is niet alleen inhoudelijk gewenst maar ook standaard professioneel gedrag. Als de minister bij wijze van uitzondering toch op een individueel dossier wil ingrijpen, dan past daarbij volledige transparantie. De Kamer heeft er recht op te weten om welke redenen de minister meent te moeten afwijken van de toezichthouder.

Voor de huidige troebele soep is niemand in het bijzonder de ‘schuld’. In de politiek gaat het veel te vaak om de schuldvraag en niet om de oplossing. Een betere aanbeveling dan het splitsen van de NZa is om duidelijkheid te creëren waar bevoegdheden beginnen en ophouden. De minister wint omdat ze niet de hele tijd door lobby’s wordt lastig gevallen en de NZa wint doordat het haar interne puinhopen kan opruimen. Het is in niemands belang om een toezichthouder op zo’n belangrijke sector onnodig lang te laten bungelen of zonder argument op te splitsen.