Sporen van het verleden op Oude Turfmarkt

Op een grijze, ijskoude vrijdag in december 2004 bezocht kunstenaar Peter Paul Hattinga Verschure op uitnodiging van de stadsarcheoloog een opgraving aan de Oude Turfmarkt. Het was een opmerkelijke locatie. Het onderzoek vond plaats binnen de muren van een oud gebouw waarvan alleen de voorgevel en de zijmuren nog overeind stonden. Binnen en toch buiten.

De achtergevel, alle vloeren en het dak waren gesloopt. De voorgevel werd op zijn plaats gehouden door een dikke balk, verbonden met een zware steigerconstructie aan de buitenzijde. De schoren schemeren op de tekening als grijze strepen door de ramen. Door de onderste rij vensters tekenen zich de gebouwen aan de overzijde van de Amstel af. Voor een van de ramen een vergeten, scheefgezakte luxaflex.

De gevel van dit rijksmonument uit de late 19de eeuw, het voormalige gesticht Sint Bernardus, werd dusdanig beeldbepalend geacht dat behoud noodzakelijk was. Het achterliggende gebouw moest verdwijnen voor de nieuwbouw van Bijzonder Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Op de tekening zijn de vloeren goed herkenbaar als horizontale banen met daarin de uitstekende koppen van de afgezaagde houten vloerbalken. In de zijgevel zijn nog meer sporen aanwezig, zoals een oude deuropening en de verticale rijen steentjes van twee dwarsmuren. De tekening doet denken aan de bouwputten die door George Hendrik Breitner rond 1900 in de binnenstad werden vastgelegd; ook daarin kon de geschiedenis worden afgelezen aan de muren.

Waar vroeger oude panden vaak alleen een nieuwe gevel kregen – achter menig 19de-eeuws geveltje in de oude binnensteden gaat een veel oudere bouwconstructie schuil –, daar vindt nu steeds vaker het omgekeerde plaats: een oude gevel met een nieuwe inhoud (en nog steeds rijksmonument). Het is blijkbaar makkelijker om gevels te herbestemmen dan oude gebouwen.

Nieuwbouw betekent ook een kans om de geschiedenis van de plek te onderzoeken – door deze letterlijk te verdiepen. Op de tekening bedient de archeoloog in de rode jas een waterpastoestel terwijl een collega de afleesbare schaalstok kaarsrecht vasthoudt. In de hoek zoekt een derde archeoloog met een metaaldetector. Tegen de muur staan een tekenbord en wat rood-witte meetstokken. In het midden slorpt een pomp het grondwater uit een met grijs water gevuld gat.

In het rapport van de opgraving kunnen we nalezen dat op deze plek ooit de – toen nog veel bredere – Amstel stroomde. Rond 1380 werd een deel van de rivier aangeplempt, tot ongeveer waar de tekenaar staat. Op deze grote landtong in de Amstel, die nog buiten de stad lag, hadden de Amsterdammers huizen en tuinen, waar, zo is te lezen in een latere akte, salie, kool, warmoes en pruimenbomen groeiden. In 1402 werd in dit gebied het Nieuwe Nonnenklooster gevestigd, dat in de loop van de eeuw zijn bezit geleidelijk uitbreidde tot aan de rivieroever. In het begin van de 16de eeuw volgden nieuwe aanplempingen met klei en stadsafval en werd een straat aangelegd: de huidige Oude Turfmarkt. Na 1525 werden hier huizen gebouwd, die in de 17de eeuw herbouwd werden op de oude funderingen. De muur op de voorgrond hoort bij een van die huizen. De archeoloog in de rode jas staat op een binnenmuur uit de late 19de eeuw.

Tekenaar Hattinga Verschure zette ter plekke eerst de hoofdlijnen op het papier, en daarna in een uurtje met pen en potje inkt de tekening. Thuisgekomen bracht hij met penseel de kleuren aan. In elke kleur zit iets van de tegenkleur verborgen. Net als de tekening precies lijkt, maar tegelijkertijd iets schetsmatigs heeft. Voor Hattinga Verschure zit de fascinatie in het onverwachte, de bewegelijkheid van de interactie met het verleden. Maar ook de ontroering van de ontmoeting met iets waarvan je de oorspronkelijke context niet kent – of het nu op straat verloren, verweesde briefjes of pasfoto’s zijn, of de oudheden die hij vindt bij laagwater aan de oever van een andere rivier, de IJssel bij Deventer, waar hij woont.