Pas als mensen bang zijn zoeken ze naar een verlosser

Het Watergate-schandaal stortte Amerika in een depressie, maar Reagan, gouverneur, bleef Nixon steunen. Wie deed wat en waarom?

Een goed politicus voelt de stemming in het land aan. Een briljant politicus weet wat de stemming in het land gaat wórden. Die les valt te trekken uit het Amerika tussen 1973 en 1976, het tijdvak waarin president Richard Nixon ten val kwam, zijn opvolger Gerald Ford niet werd herkozen, en twee wonderlijke vrijbuiters het toneel bestormden: Jimmy Carter en Ronald Reagan.

De Amerikaanse historicus Rick Perlstein (1969) heeft deze vier jaar van angst en somberheid vastgelegd in zijn monumentale The Invisible Bridge, over de val van Nixon en de stormachtige opkomst van Ronald Reagan. In 856 pagina’s concentreert Perlstein zich op twee dingen: hij beschrijft tot in detail de bedrukte stemming in de Verenigde Staten ten tijde van Vietnam, de oliecrisis en Watergate. Hij onderzoekt ook de opkomst van het populistische conservatisme, dat onder Nixon voet aan de grond kreeg, maar door Ronald Reagan pas echt vorm kreeg – tot de Tea Party vandaag.

Het blootleggen van de wortels van het moderne conservatisme is een constante drijfveer in het werk van Rick Perlstein, een historicus en journalist die onder meer publiceerde in Rolling Stone en The New Republic. Hij zag het einde van de consensus-democratie in zijn boek over Barry Goldwater (Before The Storm), en beschreef hoe Nixon zichzelf als spreekbuis van de ‘zwijgende meerderheid’ opwierp (Nixonland). The Invisible Bridge is het logische vervolg. Ronald Reagan, nog altijd bijna een heilige onder conservatieven, zou de beslissende stap zetten.

Minachting

Perlstein is links, en heeft daar nooit een geheim van gemaakt. Dat is meteen ook het enige zwakke punt aan The Invisible Bridge. Op sommige momenten gaat zijn minachting voor met name Ronald Reagan met het verhaal op de loop. Reagans ideeën zijn door het hele boek nauwelijks te vinden. Hij is volgens Perlstein ‘een atleet van de verbeelding, een meester die complexiteit, verwarring en twijfel in iets simpels kon vertalen, met een onverschrokken zekerheid.’ Achter dat decor zat volgens hem niets dan leegte.

Het midden van de jaren zeventig wordt vaak gezien als het tijdvak waarin het vertrouwen tussen de Amerikaanse kiezer in de politiek brak. De Watergate-affaire bleef niet bij een serie onthullingen over de rol van Nixons entourage bij een inbraak bij het Democratische partijkantoor. Nixon besloot zich in te graven, en hoopte dat de affaire voorbij zou gaan.

De in 1973 rechtstreeks op televisie uitgezonden hoorzittingen maakten van Watergate een dagelijkse soap, waarin het cynisme van Nixon werd blootgelegd. Nixon bleef tegenspartelen en trok zich terug in een laatste bastion, dat van patriottisme. Hij ontving met veel fanfare teruggekeerde krijgsgevangenen uit Vietnam, maakte buitenlandse reizen en speechte voortaan niet meer zonder Amerikaanse vlag. Nixons paranoia had hem in 1972 nog aan een daverende verkiezingsoverwinning geholpen, betoogt Perlstein, maar leidde in 1974 tot zijn val.

De Verenigde Staten bevonden zich op dat moment in een nationale depressie, schrijft Perlstein aan de hand van duizenden snippers bewijs: ingezonden brieven in lokale kranten, filmcitaten, radiofragmenten. Naast de vele onopgeloste crises – de olieboycot en Vietnam – gaf het land zich over aan angst voor randverschijnselen: het huiverde bij de horrorhit The Exorcist, en maakte zich druk over een invasie van de ‘killer bee’ – een fabel die overigens na 11 september 2001 terugkeerde. Tijdens zijn eerste State of the Union moest Ford dan ook toegeven: ‘De staat van onze natie is niet goed.’

Democraten profiteerden hier eind 1974 van, tijdens de eerste tussentijdse verkiezingen na Nixons val. De Republikeinse partij lag aan diggelen. Ze verkochten bumperstickers: ‘Republikeinen zijn ook mensen!’ Een televisieactie voor de partij bracht bijna geen cent op. Maar Ronald Reagan, toen gouverneur van Californië, keek verder dan een incidentele nederlaag. Hij deed alles wat kortzichtige strategen hem verboden zouden hebben. Hij bleef Nixon verdedigen.

Verlossing

Juist de moeilijkste tijd om Republikein te zijn werd Reagans nationale doorbraak. Hij doorzag de kiezer beter dan iedereen. Reagan wilde geen angst wegnemen, maar deze juist gebruiken. Pas als mensen bang zijn, zoeken ze een verlosser. Reagan bood beide: hij maakte mensen bang, om ze vervolgens een hoopgevend alternatief te bieden. Wat hem daarbij hielp, was zijn talent om verhalen te vertellen. Al op jonge leeftijd manipuleerde Reagan volgens Perlstein zijn levensverhaal. Hij overdreef en liet belangrijke details achterwege, zodat ieder verhaal hetzelfde stramien zou volgen: lijden, hoop, verlossing.

Reagan maakte het Ford tijdens de Republikeinse voorverkiezingen van 1976 moeilijk. Bijna lukte het hem de zittende president uit te schakelen, maar Ford trok op de Republikeinse Conventie nipt aan het langste eind. Ford zou de verkiezingen verliezen van een andere populist, de Democraat Jimmy Carter. Reagan versloeg Carter vier jaar later.

De basis voor die winst legde Reagan met een slimme politieke zet, die gemeengoed onder populisten is geworden: angst is goud waard. Reagan nam een advies ter harte dat Nikita Chroesjtsjov eens aan Nixon toevertrouwde. ‘Als de mensen geloven dat ergens een denkbeeldige rivier is, dan zeg je niet dat die rivier niet bestaat. Dan bouw je een denkbeeldige brug over de denkbeeldige rivier.’