‘Nachtmerries zijn te ingewikkeld’

De kampioene van het korte verhaal was even in Nederland om te praten over haar werk. Erg veel gesproken wordt er niet in haar oeuvre: „Dialogen vind ik kunstmatig en kunstmatigheid wil ik vermijden”.

Lydia Davis: ‘Ik vind Raymond Carver goed, maar niet geweldig: hij gebruikt te veel dialoog’ Foto Roger Cremer

‘Een conventionele roman heeft voor mij iets gekunstelds’. Het laatste woord zal tijdens het gesprek met Lydia Davis (1947) vaker vallen. Ze is op doorreis naar Kopenhagen waar ze op een festival verhalen gaat voorlezen. Omdat in Nederland haar roman Het eind van het verhaal binnenkort in vertaling verschijnt, maakt ze een tussenstop. Het boek verscheen twintig jaar geleden al in de Verenigde Staten, maar omdat Davis steeds populairder wordt en steeds minder alleen maar een writer’s writer is, komt haar uitgever hier alsnog met de vertaling.

De ster van Davis (1947) is de afgelopen jaren snel gestegen. Haar eigenzinnige korte verhalen kregen steeds meer waardering die culmineerde in de Man Booker International Prize die ze vorig jaar voor haar hele oeuvre kreeg. Het grootste deel van haar werk is de afgelopen vijf jaar ook in het Nederlands vertaald – bij haar bliksembezoek vorige maand stroomde De Balie in Amsterdam vol om haar te zien optreden met A.L. Snijders, van wie ze een aantal zeer korte verhalen (zkv’s) vertaalde. Er was ook een ontmoeting met jonge Nederlandse auteurs als Maartje Wortel, Niña Weijers, Thomas Heerma van Voss, Simone van Saarloos en Lucky Fonz – bewonderaars die haar vragen konden stellen over het vak. Davis was the talk of the town.

Zo doordacht als haar verhalen zijn, zo bedachtzaam is Davis zelf ook tijdens het gesprek: ze schuwt stiltes niet, heeft een hekel aan persoonlijke details en lacht – ondanks dat haar verhalen humoristisch zijn – niet erg vaak.

Hoewel Davis zelf verklaard fan is van het werk van A.L. Snijders steken haar eigen verhalen die van Snijders naar de kroon in beknoptheid. Neem ‘Geheugenverlies’, waarvan de integrale tekst luidt: ‘Je vraagt me naar Edith Wharton. Nou, de naam klinkt heel bekend.’ Davis is een ster in het oproepen van een tragische wereld in niet meer dan een paar woorden. Een typerend voorbeeld is ook het verhaal ‘Haar verjaardag’. Dat luidt: ‘105 jaar oud: ze zou vandaag niet meer leven ook al was ze niet doodgegaan’. De verhalen zijn soms zo kort dat enkele ervan werden opgenomen in een bloemlezing The Best American Poetry. Een eer, vindt Davis: „Sommige verhalen zitten op de grens tussen van verhaal en gedicht. Wanneer ze niet al te verhalend zijn, maar vooral gericht op lyriek, kan een verhaal een gedicht zijn. Naar welke kant je neigt heeft vooral te maken met de wijze waarop je met taal omgaat.’’

Davis’ roman Het eind van het verhaal vertelt twee verhalen: een over een obsessieve liefde van een vrouw voor een jongere man, en over de problemen die de vrouw ondervindt terwijl ze de roman schrijft.

Is het ingewikkeld om te praten over een roman die twintig jaar oud is?

„Ik vind het nog steeds een goede roman en ik ben blij dat hij nu in vertaling verschijnt, omdat ik vooral gezien wordt als een schrijfster van korte verhalen. Vaak wordt die roman genegeerd omdat die niet past binnen het beeld dat mensen van me hebben. Ik vertelde destijds mijn uitgever dat ik met een verhaal bezig was dat te lang was voor een verhaal en dat ik overwoog er een roman van te maken. De uitgever was daar toen blij mee. Ik had die verhalenbundel al af, maar hij wilde eerst een roman uitgeven.

„Ik vond dat vervelend, maar begreep het ook wel. Ik ging dus verder met de roman, die toen alleen nog over die obsessieve liefde ging, maar was er ontevreden over: het werd me allemaal te conventioneel. Toch wilde mijn uitgever per se een roman hebben, dus toen ben ik maar aan een andere begonnen met als thema hoe moeilijk het is om een roman te schrijven. Dat was veel leuker, omdat ik er meer commentaar in kon verwerken en er meer ruimte was voor humor. En zo kwamen die twee samen.”

De delen in de roman die over de problemen van een roman schrijven gaan, zijn dus autobiografisch?

„Ja, die komen rechtstreeks uit mijn eigen ervaringen. Goed een beetje aangezet en gefictionaliseerd natuurlijk, maar toch.”

En het verhaal over een obsessieve liefde? Is dat ook gebaseerd op uw eigen leven?

„Ja, maar daar wil ik niets over kwijt.”

Waarom heeft u hierna nooit meer een roman geschreven?

„Het was gewoon niet de vorm waarin ik me het best kon uiten. Als ik ooit nog voor de lange baan kies, dan zal het misschien lijken op het werk van W.G. Sebald. De manier waarop hij het grensvlak zoekt tussen historische non-fictie en pure fictie spreekt me erg aan. Of Peter Handke, ook hij zoekt de grenzen op tussen fictie en realiteit. Dat is ook de reden dat Becketts romans me zo aanspreken: ze zijn niet conventioneel. Het is zijn directheid van taal, zijn zoektocht naar betekenis in de wereld waardoor ze boeien. Ze wekken niet de indruk kunstmatig of extreem gestructureerd te zijn.

„Het is moeilijk om nu nog een de traditionele roman te accepteren. Een hedendaagse conventionele roman moet echt enorm goed zijn en boven de rest uitstijgen. Zo’n boek zou ik niet kunnen schrijven. Niet omdat ik vanuit een theoretisch idee werk, maar de roman interesseert me gewoon niet meer. Voor romans van bijvoorbeeld Proust of Flaubert geldt dat uiteraard niet. In hun tijd moesten ze nu eenmaal zo geschreven worden, maar nu voelen romans al snel kunstmatig en overbodig aan.”

Is dat ook de reden dat u in uw laatste verhalenbundel, ‘Can’t and Won’t’, fragmenten uit Flauberts brieven opneemt en ze als het ware herschept tot een kort verhaal?

„Het zijn geweldige brieven, die ik las toen ik bezig was met het vertalen van Madame Bovary. Ze gaven me inzicht in wat Flaubert dacht toen hij bezig was met die roman. Ik haalde er een paar uit en veranderde er nauwelijks iets aan. Ik wil die brieven niet zozeer een nieuwe betekenis geven, ik herschep ze een beetje omdat ze niet als verhaal op zichzelf kunnen staan. – zo zijn ze ook niet bedoeld. Ik wil de feiten die in die brieven staan niet veranderen, en ook de tijd niet, maar ik probeer ze wel dichterbij te halen.”

U haalt vaak herkenbare dingen uit de werkelijkheid.

„Ja, het verhaal ‘Lokale familieberichten’ waarin ik vertel over wat iemand in zijn leven heeft gedaan, heb ik uit een overlijdensadvertentie. Het zijn bijna ready mades, maar dan wel aangepast omdat ik niet de namen wil noemen die in het bericht staan. Realiteit is vaak een ideale basis voor mijn verhalen, ik breng dan maar hele kleine veranderingen aan.”

Maar in ‘Can’t and Won’t’ verwerkt u ook dromen, die staan vaak ver van de realiteit. Is dat dan ingewikkeld?

„Het gekke is dat ik vroeger nooit erg geïnteresseerd was in dromen, maar nu wel. De dromen in deze bundel zijn gebaseerd op degene die ik zelf heb gehad, of waarover vrienden me verteld hebben. Ik koppel de dromen aan belevenissen overdag. Het spel van het verwerken van een droom tot een reëel verhaal boeide me. Net als de vraag: hoe kan het dat een gebeurtenis die je overdag meemaakt tot droom verwerkt wordt? Wat gebeurt daar? Ik wilde de droom realistischer maken en de gebeurtenis overdag meer als een droom presenteren. Bij dromen is het interessante dat het moeilijk is je ze te herinneren, en dat je vaak fragmenten uit je droom aanhaalt die net niet interessant zijn, of zo verwarrend dat je er geen verhaal van kunt maken. Het is moeilijk om een droom bondig na te vertellen.”

In de bundel staan geen nachtmerries. Zijn die te ingewikkeld om om te zetten tot reëel verhaal of is daar een andere reden voor?

„Ik denk dat die heel interessant kunnen zijn, maar mijn probleem is dat ik altijd dezelfde nachtmerrie heb, dus dan wordt het saai.”

Ik vermoed dat ik niet moet vragen waar die nachtmerrie over gaat?

„Klopt.”

U gebruikt zelden dialogen in uw verhalen.

„Dialogen vind ik bij uitstek kunstmatig en kunstmatigheid wil ik vermijden. Elk verhaal is natuurlijk kunstmatig, een verhaal ligt nooit voor het oprapen, je máákt het. Het probleem van een gesprek is dat je je wel een zin kan herinneren, maar een dialoog in z’n geheel niet, en dan ga je te veel knutselen. Daarom vind ik Raymond Carver goed, maar niet geweldig: hij gebruikt te veel dialoog. Daarnaast denk ik dat ik door dialogen de controle over het verhaal verlies en dat de personages dan de baas worden, dat zij sturend en bepalend zijn voor het verhaal. Ik vind een vertellende stem het prettigst, een dialoog leidt af van de ene verteller.”

Is het dicht bij de realiteit blijven de methode om gekunsteldheid tegen te gaan?

„Ja dat denk ik wel. Mijn verhalen zijn vaak gebaseerd op wat ik gezien heb, vaker dan op wat ik gehoord heb. Dat is omdat ik merk dat ik vaak iets verkeerd heb gehoord, terwijl mijn observaties altijd kloppen met de werkelijkheid. Ik schrijf alleen over dingen waar ik om geef, daardoor hebben mijn verhalen vaak een herkenbare emotie. Wat dat betreft heeft een romanschrijver het gemakkelijker: je leeft langer mee met de hoofdpersoon. In een verhaal moet je in elke regel emotie leggen. Als iemand me zou zeggen: je moet een verhaal met veel emotie schrijven, dan zou me dat trouwens niet lukken. Wat ik eigenlijk doe, is alle feiten op een rijtje zetten, en dan ga ik aan slag om er een verhaal van maken in de veronderstelling dat de lezer zich ermee kan vereenzelvigen.”