Joodse historie in zompige poldergrond

Zondag wordt herdacht dat 300 jaar geleden de eerste dode op de Joodse begraafplaats Zeeburg werd begraven. In een boek worden enkele van de 150.000 hier begraven arme Joden aan de vergetelheid ontrukt.

Karel Berkhout

Olivier Middendorp

Tijdens de Hongerwinter haalden inwoners van Amsterdam-Oost houten grafzerken van de Joodse Begraafplaats Zeeburg om op te stoken in hun kachels. Op een dag zag een buurtbewoonster hoe jongetjes zeulden met zo’n zerk. Ze pakte de rechthoekige houten plaat af. Thuis zette ze de grafplaat met Hebreeuwse inscriptie in haar woonkamer op een stoel, waar die zeventig jaar later nog altijd staat. Zo bleef de typische armenzerk van – weten we nu – Leib ben Hirsch Mug uit 1849 als enige houten grafzerk van Zeeburg bewaard.

Met een speciale plechtigheid wordt zondag op Zeeburg – nog altijd de grootste Joodse begraafplaats van West-Europa – herdacht dat precies 300 jaar geleden de eerste dode hier werd begraven.

Dan verschijnt ook een boek over de geschiedenis van Zeeburg, met onder meer portretten van Joden die hier werden begraven. Een aantal van de mogelijk 150.000 Joden die hier zijn begraven wordt zo aan de vergetelheid ontrukt. Zoals circusartiest Jacques Schuitenvoerder (1846-1911), de uit Oost-Europa gevluchte rabbijn Chaim ben David Breit (ca. 1826-1884) en de zetter Abraham Chaim Braatbard (1699-1784).

Hun levens en lot zijn nauw verbonden met de geschiedenis van Nederland. De Gouden Eeuw kreeg al rond 1600 extra glans door de komst van Spaanse en Portugese Joden (Sefardim) naar Amsterdam, dat al snel de onofficiële hoofdstad van de Sefardische diaspora werd. Toen in de loop van de zeventiende eeuw Duitstalige vorstendommen door een langdurige oorlog in een economische crisis verzeild raakten, kwamen ook Midden- en Oost-Europese Joden (Asjkenazim) naar Amsterdam. Woonden er rond 1600 zo’n 10.000 Joden in Amsterdam, in 1939 waren dat er circa 80.000.

De Asjkenazische Joden werden aanvankelijk begraven op de Sefardische begraafplaats in Ouderkerk a/d Amstel. Later kregen zij een eigen begraafplaats in Muiderberg, die echter nogal ver weg lag en door de gestage toestroom van immigranten te duur bleek. De joodse gemeente kocht daarom een stuk polderland bij de Zeeburgerdijk, die Amsterdam aan de oostkant tegen de Zuiderzee beschermde. Daar werden voortaan de arme Asjkenazim (80 procent van het totaal) begraven, terwijl de welgestelden naar Muiderberg gingen.

Joodse en Marokkaanse jongeren

In het jodendom is een begraafplaats veel meer dan een rustplaats voor de doden. Doordat je afkomst bepaalt of je Joods bent, bepalen je al dan niet overleden voorouders wie je bent. Op Joodse begraafplaatsen zijn herdenkingsbijeenkomsten voor de overledenen dan ook niet ongebruikelijk; de jaarlijkse bijeenkomst op Zeeburg was zo groots dat wel werd gesproken van een ‘kermis’. De levenden waken ook over de eeuwige grafrust; geen enkel graf mag in principe worden geruimd.

Aan de eeuwigheid werd al snel geknaagd, vooral doordat het water niet goed werd weggepompt. De joodse gemeente had ook te weinig geld voor onderhoud doordat de leden veelal straatarm waren.

Het lot van de houten zerken, die niet alleen verbrandden maar ook verrotten in het grondwater, weerspiegelt hoe in de geschiedenis de ongelijkheid in het leven is blijven voortbestaan na de dood. Tot de allerarmsten behoorden de meeste Amsterdamse Joden – en daarmee de meeste Nederlandse. Zij kregen in het beste geval een stenen zerk, vaker een houten zerk en soms werd alleen hun begrafenis genoteerd in een begrafenisregister – en soms zelfs dat niet.

Het terrein ter grootte van 16 voetbalvelden – verscholen tussen een stadspark en de Indische buurt – is nu als een symbool van herinnering in ere hersteld. Op initiatief van de Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg hebben de afgelopen jaren Joodse en Marokkaanse jongeren de ergste begroeiing verwijderd en hebben steenhouwers zo’n honderd stenen zerken gerestaureerd en gefundeerd; tientallen christenen hebben de – veelal – Hebreeuwse grafletters weer zwart geschilderd.

Eind negentiende eeuw was de sterfte vooral onder kinderen in de jodenbuurt zo hoog, dat de gemiddelde leeftijd van de begravenen op Zeeburg in een jaar 14,4 jaar was. Doodgeboren en jonggestorven kinderen waren ook vrijwel de enigen die nog in Zeeburg werden begraven, nadat in 1914 een nieuwe begraafplaats was geopend in Diemen. Zeeburg werd allengs meer een toevluchtsoord voor vrijende paartjes en buurtkinderen die speelden tussen de wegzakkende en wegrottende zerken, die soms werden vernield.

Lot leek bezegeld

En na de Tweede Wereldoorlog kreeg de geest van de wederopbouw – vergeten en vooruitkijken – vat op Zeeburg. In de jaren vijftig gaf het rabbinaat bij wijze van uitzondering toestemming een deel van de begraafplaats te verkopen voor de aanleg van wegen naar een belangrijke brug; de daar gelegen doden werden herbegraven in Diemen. Omdat Amsterdam nieuwe woningen wilde bouwen, onderhandelde de gemeente in de decennia erna over de aankoop van de rest van Zeeburg. De deal ketste af op de grondprijs, maar het lot van de begraafplaats leek bezegeld.

Dat veranderde toen in de jaren tachtig de wetenschappelijke en publieke aandacht voor de Shoah toenam en verlaten synagogen en begraafplaatsen betekenis begonnen te krijgen als lieux de mémoire. Schrijver Boudewijn Büch kreeg veel bijval toen hij in een reportage in Het Parool pleitte voor eerherstel van Zeeburg. Het rabbinaat trok zijn toestemming voor verkoop in en de gemeente Amsterdam beschermde de begraafplaats tegen indringers met een soort slotgracht en een hek.

Bezoekers uit VS en Israël

Zeeburg groeide uit tot een ecologische broedkamer vol vogels, kikkers en ringslangen, die veel natuurliefhebbers trekken. Het echte ‘eerherstel’ van Zeeburg begon na 2000, toen de begraafplaats werd opengesteld. Bezoekers zijn Nederlandse maar ook Amerikaanse en Israëlische Joden, op zoek naar voorouders, en buurtbewoners, die herinneringen ophalen.

Zo vertelde een buurtbewoner dat haar moeder ooit een houten grafzerk had bewaard – die van Leib ben Hirsch Mug. Beter dan in een huiskamer zou de zerk volgens de stichting voor de begraafplaats passen in een openbare collectie, zoals die van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Of die van een klein museum op de begraafplaats zelf – als dat er misschien ooit komt voor Hirsch Mug en zijn lotgenoten.