Iedereen is welkom: het afscheid van de voorlaatste Vijftiger

Remco Campert leek klein naast de kist van Gerrit Kouwenaar. De man die sinds vorige week de laatste Vijftiger is, mocht de aula eerder binnen bij de begrafenis van de voorlaatste Vijftiger. Hoe jong de geest van Campert ook is, het lichaam gaat al 85 jaar mee. Hij wachtte zwijgend aan de zijkant van de vrijwel lege zaal.

Iedereen is welkom, stond in de advertentie. En iedereen bleek gistermiddag precies in de aula van de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied te passen, zoals een gedicht soms volledig volmaakt op een pagina valt. (Het was maar goed dat de Koning, de premier en de minister van Cultuur er niet waren, die hadden moeten staan – maar misschien vinden zij niet dat ze bij ‘iedereen’ horen.)

Het afscheid van de dichter stroomde vol met dat wat blijft: zijn poëzie. Er waren haast meer gedichten dan anekdotes, al was het mooi om het horen hoe Anna Enquist en Bernlef ooit heftig giechelend Kouwenaars gedicht ‘Zo helder zagen wij het zelden’ in het Zweeds vertaalden in een poging Gerrit dan toch wat dichter bij de Nobelprijs te brengen. Vooral Bernlefs vinding voor ‘in zijn weitas een bloedplas’ was geweldig. En de rouwmantel bleek door Zweedse vlinderaars precies hetzelfde te worden genoemd.

Er waren natuurlijk verhalen over rode wijn, tabak, lange nachten, zijn vrouw Paula, Kouwenaars huis in Frankrijk en zijn ziekenhuisbed, waarin de 91-jarige zei dat hij zijn oeuvre nu toch wel als voltooid beschouwde – maar niet dan nadat hij geïnformeerd had naar hoe uitzonderlijk het nu eigenlijk was dat zijn totaal witte kamer nu al de achtste druk beleefde. En over hoe hij op het laatst uit zijn hoofd de beginregels van ‘De ochtend’ reciteerde (‘De ochtend dat het nooit meer avond wordt/ talend naar stilstand was het nooit zo licht’) en het ineens expliciet ‘dat versje over mijn dood’ noemde.

Remco Campert vertelde hoe hij de afgelopen dagen een gedicht voor zijn vriend had willen schrijven, maar daar niet in was geslaagd: ‘Het leek of Gerrit de woorden met zich mee had genomen, ik lag te happen als een vis op het droge.’ Waarna hij relativeerde: ‘Willen en een gedicht schrijven gaan eigenlijk niet samen.’ Tot slot zei Campert iets wat eigenlijk een beetje vreemd klonk, naast de doodskist: ‘Hij is onsterfelijk.’ Maar Remco Campert mag het zeggen. Dan is het waar.

Later kringelde er vooraan de stoet een beetje rook omhoog tussen de bomen. De laatste Vijftiger. Soms is onsterfelijkheid een kwestie van rustig doorroken.

De steen van Paula was even opzij gelegd, achter de kuil, zodat Gerrit er bij kon. (‘Men moet nog een kuil graven voor een vlinder’). Onder Paula’s naam was nog precies ruimte voor een paar regels tekst.