Het roken liet hij over aan de wind

‘Een dolende Hollander’ reist naar een oude liefde in Griekenland. We leren de Grieken kennen, en hun onverschilligheid tegenover het toevallige lot. De Hollander wil een beetje Grieks worden.

In het Nationaal Archeologisch Museum in Athene tekent een man een kouros uit ca. 500 v. Chr. Reuters/Alkis Konstantinidis

Edzard Mik is goed in trage plotten. Zijn romans komen altijd geleidelijk op stoom, met veel inleidende details, vage vooruit- en terugblikken en veel halve feiten. En pas tegen het eind, net als in een detective, valt alles op zijn plek. Dan weet je waaraan die broer overleed (Yak, 1996), hoe het die Iraniër verging die zonodig terug wilde naar Nederland (De wachters, 2004) en hoe die neef in een gletsjerspleet kon vallen tijdens een bergwandeling (Mont Blanc, 2012). Ook in Waar de zee begint, de negende roman van Mik, duurt het enige tijd voordat zich een verhaal begint af te tekenen. Mik noemt geen jaartallen en verstopt zijn aanwijzingen in listige tussenzinnetjes. Maar wie een beetje kan rekenen en over voldoende geduld en speurzin beschikt, begint halverwege de roman steeds meer verbanden te zien. Dat blauwe pilletje! Dat merkwaardige astmatische jongetje!

Ook deze keer wordt het vaste Mik-stramien gevolgd: iemand keert terug op zijn schreden, om iets op te lossen dat in het verleden is misgegaan. Deze keer gaat het niet om een ongeluk, of een lijk dat uit de kast valt, maar om een liefdesgeschiedenis, tussen Nico, een druistige Amsterdamse bankier, en de zwoele Atheense Despina. Ooit, in 2004, ten tijde van het door Griekenland gewonnen EK, leerden ze elkaar kennen, toen Nico een krediet verleende aan meneer Orphanos, de vader van Despina. En acht jaar later, in 2012, midden in de economische crisis, zien ze elkaar terug, omdat de kunsthandel van pa in zwaar weer is beland.

Kruimel krediet

Nico is in de tussentijd gescheiden en zorgt parttime voor zijn kinderen, terwijl Despina juist is getrouwd en moeder is geworden. Nico denkt weinig kans te maken om haar hart andermaal te winnen. Ook vraagt hij zich af of het niet te riskant is om, als een hedendaagse Orpheus, opnieuw achter deze Eurydice aan te gaan. Daarmee zou hij, zo vreest hij, ‘de laatste kruimel krediet van de goden’ kunnen verspelen. Maar wij voelen aan dat dit tweede reisje naar ‘deze deplorabele metropool’, die zwaar gebukt gaat onder de bankencrisis, niet helemaal zonder resultaat zal blijven.

Wat mij in deze roman het meest bevalt is het enthousiasme waarmee een lans wordt gebroken voor het veelgeplaagde Griekenland. Mik doet dat niet door de minpuntjes te verdoezelen. Ruim baan dus voor de misère en de corruptie waarvan het land ‘doordesemd’ zou zijn. Veel aandacht voor zwendelaars en voor boze Grieken die lelijk doen tegen buitenlanders en bankgebouwen in brand steken.

Maar Mik laat ook zien dat de meeste Grieken zich niet blind staren op de eerste de beste crisis – gezien ook in het licht van de eeuwenoude beschaving die ‘ons’ tot voorbeeld diende. Dat is ook wat bankier Nico zo aanspreekt in de gemiddelde, danslustige Griek: zijn of haar betrekkelijke onverschilligheid tegenover het toevallige lot. ‘Misschien zou het helpen’, denkt hij dan, ‘me ook maar over te geven aan wat de omstandigheden met me voorhebben […], een beetje Grieks te worden dus.’ En zo zeilt hij ten slotte vrolijk met Despina de haven van Athene uit, een onbekende bestemming tegemoet.

Kantoorklerk

Dat hupse en flierefluiterige zie ik niet overal in het boek terug. Vooral stilistisch kan het een stuk losser en vlotter. Hoe verliefd en bevrijd ‘de dolende Hollander’ zich ook mag voelen, hij blijft tot het eind klinken als een benepen kantoorklerk die zich net iets te gewichtig wil uitdrukken. Hij heeft het niet gewoon warm, maar ‘lijkt als een malarialijder […] plots door koorts bevangen geraakt’. Iemand staat niet vlak voor hem, maar ‘verkeert […] dicht in mijn nabijheid.’ Iets gebeurt niet binnen een paar jaar, maar ‘binnen het tijdsbestek van enkele jaren.’ Opvallend is ook hoe vaak in Waar de zee begint een slag om de arm wordt gehouden. Iemand zegt iets niet stamelend, maar ‘haast stamelend’. Krullen deinen ‘als verdwaald’ mee. Een vrouw is niet in trance, maar ‘als in trance’. Op bijna elke bladzij komt wel een als-vergelijking voor. ‘Als is ze’, ‘als heb ik’, ‘als was hij’, ‘als om me’, ‘als iets wat’, ‘als om haar’. In die wirwar van ‘alsen’ tref je ook mooie formuleringen aan, die wél meteen aanspreken. Dan zien we bijvoorbeeld een man die zijn patserige auto achteloos door het drukke Atheense verkeer loodst. Raampje open. Sigaretje tussen de vingers. ‘Orphanos’ hand bungelde uit het autoraam, het roken liet hij over aan de wind.’ Dat is wat Mik ook wat meer moet gaan doen: de woorden laten waaien, als was hij een echte Griek.