‘Goethe toont ook grenzen modern toneel’

De regisseur ziet hedendaagse parallellen in Goethes ‘Torquato Tasso’. „Kunstenaars zijn asociaal. We hebben ons teruggetrokken in dienst van de vernieuwing.”

Joris Smit enHannah Hoekstra in ‘Tasso’ bij het Nationale Toneel Foto Kurt Van der Elst

‘Tasso gaat over een kunstenaar die de absolute vrijheid wil om te werken. In ruil voor zijn kunst, zijn dichtwerk, meent hij recht op alles te hebben: geld, vriendschap én liefde. Maar hij loopt aan tegen de grenzen van wat de werkelijkheid hem toestaat. Uiteindelijk moet hij vrede sluiten met die beperkingen.”

Bij het Nationale Toneel regisseert Theu Boermans Tasso, een bekorte versie van Goethes Torquato Tasso uit 1787, in een vertaling van Tom Kleijn. Goethes verzen zijn behouden, maar de setting is naar het heden verplaatst. Tasso’s beschermer Alfonso, die hem onderhoudt, is geen hertog, maar een rijke ondernemer en zijn zus, de door Tasso aanbeden Leonore, slikt pillen tegen depressie.

Interessant is dat Boermans voor het eerst werkt met drie van de jonge talenten die hij vorig jaar als artistiek directeur rekruteerde als „de beste van hun generatie”: Joris Smit, Sallie Harmsen en Hannah Hoekstra. Met Bram Suijker en Justus van Dillen vormen ze in Tasso een mooi verbond van oude taal en jeugdig elan.

De botsing tussen de hooggestemde idealen van de kunstenaar en de harde werkelijkheid maakt het stuk voor Boermans opnieuw actueel. „Tasso is het prototype van de kunstenaar: neurotisch, hypersensitief, een ADHD-kind dat aan stemmingswisselingen onderhevig is. Bij kunstenaars zie je een enorme precisie als het gaat om het vormgeven van kunst, maar die focus op hun werk maakt ze ook asociaal en blind voor de werkelijkheid. Dat accepteren we omdat ze ons anders leren kijken.”

Leonore bewondert Tasso’s dichtkunst, maar ze ziet ook zijn onvermogen met mensen om te gaan. Daarom verzet ze zich tegen zijn pogingen haar te veroveren. Boermans: „Kunstenaars zijn fantastisch om kortstondig mee om te gaan. Maar met ze te leven is geen sinecure. Dat realiseert Leonore zich. De kunstenaar is zo onbetrouwbaar als wat. Zijn principes waaien met zijn behoeftes mee. Daar is moeilijk een leven op te baseren.”

Nu test Leonore Tasso ook op een onmogelijke manier: door hem te vragen vriendschap te sluiten met de politicus Antonio, een goede vriend van Alfonso, maar een man die kunst als nutteloos afwijst. Boermans wil Antonio niet zwart-wit neerzetten. „Ook Antonio heeft liefde voor Leonore opgevat en Tasso verwoordt eigenlijk wat hij zelf voelt.” Het besef dat Tasso dat vermogen heeft, maakt hem alleen maar jaloerser op de gunsten die Leonore en haar vriendin hem schenken.

De afgewezen Tasso besluit te vertrekken bij Alfonso. Boermans portretteert hem als slachtoffer van zijn eigen paranoia. „Hij heeft zichzelf verbannen. Hij denkt dat iedereen hem bedriegt, maar de anderen willen alleen dat hij beseft dat er grenzen zijn.”

Boermans legt een verband met de huidige situatie van kunstenaars. „Het toneel heeft zichzelf ook maatschappelijk verbannen de afgelopen 25 jaar. De bezuinigingen krijgen de schuld, maar ons afvragen waar we het contact hebben verloren met de werkelijkheid is er nauwelijks bij. We hebben ons sektarisch teruggetrokken in dienst van de vernieuwing, op een eilandje in de Randstad. We zijn er niet in geslaagd die vernieuwingen terug te brengen naar het publiek. Dat psychogram van een kunstenaar in deze tijd door Goethe vind ik wel leerzaam.”

Ook bij de mecenas Alfonso en politicus Antonio zijn er lijnen te trekken naar de huidige tijd. „Bij Alfonso is kunst lifestyle geworden en een belegging. In Antonio zie je terug wat subsidiënten en publiek tegenwoordig van kunst vragen. Kunst moet communiceren, het moet op tijd af en van maatschappelijk nut zijn.”

De versvorm van de tekst en de aforismen en metaforen die over elkaar heen buitelen, vergen veel van de toeschouwer. Toch wil Boermans de tekst laten klinken als alledaagse conversatie. „Dat is de maat zoeken en heel hard werken voor de acteurs, tot ze alle overgangen en afslagen kunnen nemen. De oude Lutz zei: ‘Spelen is denken.’ Je moeten blijven denken om te weten wat je zegt.”

De toeschouwer krijgt geen naturalisme, geen filmdialogen, zegt Boermans. „Ook in het theater kampen we met een voel- en kijkcultuur. Alleen daarom al wil ik Tasso doen. Om die prachtige beelden.”