Column

Gedeelde as

Iemand scheidt, hertrouwt en sterft. Hij of zij laat twee partners achter, die van toen en die van nu. Dat kan een hoop onverkwikkelijk gedoe geven. Hoe moet het met de overlijdensadvertentie en de rouwkaart, welke rol krijgt de ex in de rouwplechtigheid en na afloop bij de cake en de koffie? En wie – van belang bij beroemde doden – gaat de nagedachtenis als het ware ‘beheren’, de eerste of latere partners?

Als buitenstaander vang je soms een glimp van de problemen op, bijvoorbeeld als de ex een aparte advertentie plaatst, waarin hij/zij vertelt dat de overledene een geweldige partner was geweest en hun liefde eigenlijk altijd had voortgeduurd. Alsof hij/zij tegen de tweede partner wil zeggen: je moet niet denken dat je zo belangrijk voor hem/haar bent geworden als ik.

Die heel boeiende, maar au fond gruwelijke oorlog tussen de ex en de next zag ik opdoemen in Updike, de biografie over de schrijver John Updike waarover ik gisteren al schreef. Rond zo’n befaamde echtgenoot lijkt de strijd nog te verharden omdat de inzet – geërfde roem en de daarbijbehorende status – hoger is dan bij gewone stervelingen.

Updike was twee keer getrouwd: van 1953 tot 1974 met Mary Pennington, met wie hij vier kinderen kreeg, en van 1977 tot zijn dood in 2009 met Martha Bernhard. Updikes biograaf Adam Begley laat er zich niet over uit, maar uit alles blijkt dat hij bij zijn research alleen medewerking heeft gekregen van Mary, de eerste weduwe.

Verstandig van Mary, want zij krijgt van Begley vermoedelijk daardoor ook een sympathiekere behandeling. Zij is de echtgenote die omziet in liefde en begrip, terwijl Martha de onvermurwbare poortwachter is die haar man afzondert van de buitenwereld, zelfs zoveel mogelijk van zijn kinderen. Martha wordt ook min of meer als een intrigante afgeschilderd, die Updike vanwege zijn roem heeft afgetroggeld van Mary; Mary trouwde Updike toen hij nog onbekend was.

Als lezer moet je maar gissen wat de waarheid is. Dat geldt ook voor de gang van zaken tijdens het sterfbed en de begrafenis van Updike. Volgens Mary zou zij van Martha slechts één keer toestemming hebben gekregen om de stervende Updike te bezoeken. Het werd een pijnlijke visite, zo laat ze merken.

Mary mocht met haar dochter Miranda naar Updikes huis komen, maar ook Martha bleef aan het bed zitten. Mary masseerde zijn koude voeten. Updike zei tegen haar: „Denk aan tante Polly” – een tante die ouder dan negentig was geworden. Mary begreep dat hij wilde zeggen: probeer ook zo oud te worden.

Na twintig minuten zei Martha dat het tijd was om te gaan. Beneden vroeg Mary of ze nog eens mocht komen, maar Martha antwoordde dat dit niet mogelijk was. Ook toen Updike, die aan longkanker leed, naar een hospice was overgebracht voor zijn laatste weken, mochten zijn ex en kinderen hem niet meer bezoeken.

Voor de as werd een bijzondere oplossing gevonden. Een deel is begraven in een ‘memorial garden’ in Manchester-by-the-Sea, waar Martha ter kerke gaat. De rest is overgebracht naar het graf van zijn ouders op het kerkhof van Plowville, waar Updike opgroeide. Zoon Michael voorzag de grafsteen van een portret van zijn vader en een van zijn gedichten.

Zo heeft ieder deel van de familie zijn eigen stukje Updike gekregen om te koesteren. Als de vader het nog had kunnen meemaken, zou hij er een mooi verhaal over hebben geschreven.