Er valt weinig in dit leven in te halen

Een man, ooit ontvoerd en ontkomen in Syrië, vertelt als hoofdpersoon veel uiteenlopende verhalen. Die gaan vooral over verloren onschuld, in verschillende gedaanten.

Over het algemeen geldt het als een voordeel wanneer een roman nauw aansluit bij de actualiteit, maar op de eerste pagina’s van Onschuld, de nieuwe roman van Jeroen Theunissen (1977), bekruipt je een zeker ongemak. De hoofdpersoon van het boek, de vijfentwintigjarige fotojournalist Manuel Horst, wordt in Syrië ontvoerd door jihadisten. Als dan ook nog blijkt dat Manuel weet te ontsnappen door een klein raampje en er ergens wordt opgemerkt dat het kidnappers altijd om het geld gaat – ben je met de IS-onthoofdingsvideo’s in gedachten geneigd te denken dat deze Manuel een mazzelaar is.

Zo zal het door Theunissen niet bedoeld zijn. Wel is zijn hoofdpersoon ervan overtuigd dat hij zonder trauma uit Syrië is ontkomen. Desalniettemin doet deze Manuel vreemde dingen. Zo reist hij niet terug naar België, maar blijft hij hangen in Beiroet waar hij verliefd wordt op de mooie Syrische Nada. Zij laat zich die plotselinge affectie aanleunen en vertelt hem hoe ze haar geboorteland heeft moeten ontvluchten. Hij neemt haar mee naar huis, waar ze een gezin stichten. Het kind heet Basil. (Basil en Manuel – Theunissen kent zijn Fawlty Towers, al gaat de verwijzing op het eerste gezicht niet dieper dan één scene waaruit blijkt dat de naamgeving geen toeval is.)

De ontvoering is niet het enige schokkende dat Manuel is overkomen. Tijdens zijn twee maanden gevangenschap is zijn vader, een bekende televisiepsychiater, verongelukt in de Pyreneeën. Dat was de versnelling van een aangekondigde dood, want Paul Horst was bezig aan de laatste weken van zijn strijd tegen een hersentumor. Een periode waarin ook hij gekke dingen deed. Tijdens de ontvoering van Manuel had Horst bijvoorbeeld meegewerkt aan een tranentrekkende televisiereportage in Syrië – tot grote woede van zijn zoon die al jaren geen contact meer met zijn vader had – ‘opgegroeid bij zijn moeder’, had hij ostentatief op zijn website gezet. In de loop van Onschuld gaat Manuel zich steeds meer verdiepen in zijn vader, geholpen door diens dagboeken. Er blijkt zich in diens leven een geheime grote liefde te hebben voorgedaan.

Librisprijs

Daarmee sluit Onschuld aan bij de eerdere boeken van Theunissen, bij wie de tegenstelling tussen het geplaveide, burgerlijke bestaan ‘thuis’ en het avontuurlijke Grote Onbekende altijd een rol speelt: het leidde onder meer tot de knappe, voor de Librisprijs genomineerde roman De omwegen, waarin hij de drie zoons van een Vlaams gezin door de moderne tijd voerde – elk op zoek naar zijn eigen hoger honing, ieder op zijn eigen manier vastlopend. Theunissen gebruikte meestal een alwetende verteller die de lezer soepel en met liefdevolle ironie door het pijnlijke gekrabbel van zijn hoofdpersonen loodste.

In Onschuld is Manuel Horst zelf aan het woord. Dat heeft als voordeel dat de woede en de agressie van de man onversneden en raak binnenkomen. De scheidslijn tussen seks en (wederkerig) geweld is dun in het leven van Manuel en zijn vader. Aan het begin van het boek vecht de hoofdpersoon een ruzie uit met een collega, die eindigt in de tegenstelling tussen de journalist die ‘een goed verhaal’ de kern van de zaak vindt en degene voor wie het allemaal om ‘de waarheid’ draait. Het romantisch gelijk van de laatste wordt door Theunissen effectief ondergraven doordat juist Manuel zoveel moeite heeft de waarheid te destilleren uit wat hem zoal wordt verteld.

Er is echter ook een nadeel. Theunissen laat zijn hoofdpersoon véél verhalen vertellen: zijn eigen ontvoeringsverhaal, zijn herinneringen aan zijn jeugd, het verhaal van Nada, het levensverhaal van zijn vader (dat weer deels uit diens dagboeken afkomstig is), het verhaal van zijn leven in België na de ontvoering. Dat alles wordt uit de doeken gedaan aan een zekere Judith, die ten slotte zelf het woord neemt.

Het resultaat is dat Onschuld een verteltechnische koorddansact is, met bruuske overgangen die niet altijd overtuigen – en waarin je de wrang-humoristische toon uit Theunissens eerdere werk maar sporadisch aantreft.

Op abstract en psychologisch niveau overtuigt Onschuld wél. De ideologische kern van de roman is de straffe rechtbankmonoloog van Manuels vader, die door zijn hersentumor zijn sociale remmingen heeft verloren. Hij verdedigt een misdadiger door te stellen dat een mens nooit een monster kan zijn. Daar zit een element van zelfverdediging in: voor alle personages geldt dat ze hun onschuld pas kunnen aanduiden als ze die al hebben verspeeld. Feitelijk probeert Manuel bij zichzelf, zijn vader en bij Nada terug te redeneren tot het punt waarop ze hun onschuld verloren, maar hij vindt niets. Ja, een baby is onschuldig – maar alle kinderen in dit boek danken hun bestaan aan ouderlijke onvoorzichtigheid.

Medelijden

Het probleem van Manuel is dat hij onschuld verwart met hulpeloosheid en liefde met medelijden. Dat geldt ook voor zijn vader die pas aandacht aan zijn zoon besteedt als hij meent dat deze gevangen zit – zoals de zoon pas in beweging komt als zijn vader er helemaal niet meer is. Er rest deze twee mannen niets anders dan inhaalmanoeuvres uit te voeren, het bezoeken van de plaatsen waar de ander is geweest.

Dat hangt weer samen met de rusteloosheid van de heren, die zij delen met de Syrische Nada. Zij legt op een gegeven moment uit wat haar drijft: ze wil geen Madame Bovary worden. Alles beter dan een ongelukkig getrouwde vrouw op het platteland (of in de stad). Geef haar maar de eindeloze roep van het avontuur, van nieuwe liefdes en de echte wereld. Overal hangen wiebelende koorden gespannen – zie dan maar eens de roep van het risico en het avontuur te weerstaan. Die lokroep, en de straf die onherroepelijk volgt, maakt Theunissen in Onschuld mooi invoelbaar.