Eigenzinnige reis naar het Troje van de popmuziek

Zoals kunstliefhebbers naar Italië en Griekenland reizen om de tempels uit de Oudheid en de kerken uit de Renaissance te zien, zo trekken popfans naar het Zuiden van de Verenigde Staten om de bordelen, de veranda’s en de katoenvelden te bekijken waar de popmuziek werd geboren. Radio-dj Marc Stakenburg organiseert motorreizen door deze vruchtbare streek en schreef daar een mooie gids bij: De Big Bang van de popmuziek, waarin hij de wordingsgeschiedenis vertelt, met de nodige reisverhalen en anekdotes, vol armoede, geweld, bedwelmende middelen en vroegtijdige doden.

De Amerikaanse popmuziek die sinds de jaren vijftig de wereld heeft veroverd, ontstond in de eerste decennia van de twintigste eeuw vrijwel onopgemerkt onder de voornamelijk Afro-Amerikaanse knechten in het achtergebleven Zuiden. Zij maakten, aanvankelijk puur voor eigen vermaak, een amalgaam van Europese een Afrikaanse volksmuziek – jazz, blues, hillbilly, gospel – en schiepen zo de belangrijkste culturele bijdrage van de VS aan de wereld.

Stakenburg vergeet de zwarte kant van de geschiedenis niet. Die gaat over onderdrukking, lynchpartijen en racisme. Zowel de jazz en de blues trokken pas een groot publiek nadat ze in de Great Migration (1910-1930) met miljoenen zwarten mee naar het Noorden verhuisden.

Stakenburg voert ons over de geboortegronden, van New Orleans, Louisiana (jazz, rhythm & blues), door de Mississippi Delta (blues), naar Memphis, Tennessee (rock ’n’ roll, soul). Hij begint op het Congo Square in New Orleans. Hier kwamen in de Franse tijd slaven bijeen voor Afrikaanse zang en dans en, later in de 19de eeuw, voor concerten van zwarte fanfares. Hij staat ook stil bij de voodoocultuur en de Mardi Gras Indians, Afro-Amerikanen die zich uitdossen als indianen tijdens carnaval. Stakenburg voert ons langs het Riverside Hotel in Clarksdale, Mississippi, waar veel blueszangers overnachtten, waar Bessie Smith stierf en waar Ike Turner (ex van Tina) de eerste rock ’n’ roll hit schreef: Rocket 88.

Dat Amerikaanse Zuiden is trouwens eerder Troje dan het Parthenon: je treft er niet veel fysieke sporen aan – hier en daar een vervallen geboortehuisje, een studio, een juke joint (bluescafé). Het meeste moet je zelf invullen. De grondleggers van de popmuziek waren zwarte landarbeiders die met de nek werden aangekeken, dus voert de reis ons langs plaatsen waar de doorsnee toerist liever wegblijft: achterbuurten, verlaten landstreken, zweterige nachtclubs, vervallen hotels, katoenplantages, gevangenissen.

Dat is deel van de charme: het gebied is niet op toeristenindustrie of monumentenzorg ingesteld. Een museum, als dat van Hank Williams of Jerry Lee Lewis, is vaak niet meer dan een woonhuis met wat prullaria, met een nors familielid als curator. Uitzondering is de geoliede toeristenfabriek rond Graceland, het paleis van de blanke koning Elvis in Memphis. Die zet Stakenburg af tegen het geboortehuis van zwarte soulkoningin Aretha Franklin, elders in Memphis; een half ingestort krot waar niemand komt. De overheid heeft beloofd het te renoveren.