De stemmen in haar hoofd vechten om voorrang

In haar vorige roman Hoe laat eigenlijk liet Jannah Loontjens (1974) een Nederlands stel een tijdje in Senegal verblijven. Een van de vragen die ze op leek te werpen was in hoeverre fysieke verplaatsing van invloed is op de geest. Ralph en Aaf waren dan wel ver van huis, ze bleken niet in staat hun westerse, intellectuele bril af te zetten. Hun sombere gesprekken en gedachten werden nog steeds meer gestuurd door Freud en Lacan dan door hun nieuwe omgeving.

In Misschien wel niet volgen we de late dertiger Mascha een paar dagen in Amsterdam, en ook zij gaat gebukt onder haar ontwikkeling. Als microbioloog annex literatuurwetenschapper brengt ze alles wat in haar blikveld verschijnt terug tot de ‘essentie’, wat leidt tot bittere uiteenzettingen over vergankelijkheid, vergeefsheid en verval.

Wil Loontjens duidelijk maken dat iemands vak een specialisme is dat de blik vernauwt? Het lijkt erop, want Mascha ondervindt slechts hinder van haar kritische geest. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit niet de lichtste dagen voor Mascha zijn: ze wordt van haar fiets gereden, haar oma overlijdt, haar vader staat met z’n ziel onder de arm op de stoep.

Hoe laat eigenlijk was een topzware exercitie, geschreven door iemand die haar personages volop hart en geest liet luchten, maar minder trek had in het vertellen van een verhaal. Loontjens lijkt zich niet volledig bewust te zijn van de afmattende uitwerking van deze stijl, want ook Mascha krijgt in Misschien wel niet alle ruimte om te delibereren. Opvallend hierbij is dat Loontjens geen contrast in haar tekst aanbrengt. Er wordt geen humor, geen ironie of observatie aangevoerd die Mascha’s klaagzangen in een bepaald licht stellen en ze wellicht verteerbaarder hadden gemaakt. De roman ontpopt zich zo tot een op zichzelf overtuigende zedenschets van hoog opgeleide mensen in de grote stad. Wat drijft Mascha, en wat drijft haar vrienden? Ze definiëren zichzelf als ‘intellectuelen’, maar veel hebben ze niet te melden. Wel voeren ze nostalgische gesprekken en hebben ze een hang naar verdoving in de vorm van drugs, drank of buitenechtelijk gevoos.

Waar Loontjens heel goed in is geslaagd is het weergeven van de meerstemmigheid van Mascha. Haar moederstem, haar biologenstem, haar stem als kind uit een gebroken gezin – ze vechten in Mascha’s hoofd voortdurend om voorrang. Ook de gepeperde chatsessies met een man dragen bij aan haar innerlijke versplintering.

Wat te lang ongewis blijft is waar Loontjens in Misschien wel niet werkelijk op in heeft willen zetten. Verantwoordelijkheid, seksualiteit, nieuwe media? In een sterke scène aan het slot, waarin Mascha’s vriendenkliek na een paar lijnen cocaïne uiteen dreigt te vallen, is er plotseling wel die aanzuigende concentratie. Men heeft de buik vol van elkaars gejeremieer; het masker van het-er-samen-wel-uitkomen valt af; ze kunnen elkaars bloed wel drinken. Heerlijk, een hartslag.