De koning is dood! Althans, bijna

Weer een aderlating of toch nog maar een keer purgeren? Als ze eenmaal ziek werden, hadden Franse koningen het even zwaar als hun onderdanen. Hun persoonlijk lijden was een politieke zaak.

De tombes van de Franse koning Henri II en zijn vrouw Catharina de’ Medicis in de Saint-Denis in Parijs Foto Roi Boshi

Een stevige verkoudheid, meer niet. Het is februari 1547 en Jean de Saint-Mauris, ambassadeur van keizer Karel V in Parijs, schrijft een brief in codetaal waarin hij zijn meester op de hoogte stelt van de gezondheidstoestand van Frans I, koning van Frankrijk. De 52-jarige vorst is de laatste tijd wel vaker ziek en hij heeft opnieuw koorts. De politieke verhoudingen in Europa zijn gespannen, dus nieuws over de gezondheid van de Franse koning is van groot belang.

Een maand later moet Saint-Mauris zijn diagnose bijstellen: Frans I lijdt aan een etterend abces ‘op zijn onderlichaam’. De koorts die hem plaagt is niet het gevolg van een rhume, maar van een aandoening die hem waarschijnlijk al jaren achtervolgt: le mal français, syfilis. De ambassadeur weet te melden dat artsen het abces hebben geperforeerd en dat het pus is afgevoerd. Van genezing is echter geen sprake. In maart keert de zwelling terug: nu zijn op vijf plekken etterbuilen te zien. Saint-Mauris velt in een volgende brief zijn oordeel: de koning van Frankrijk is ten dode opgeschreven.

Het sterfbed dat volgt, wordt beschreven in Les derniers jours des rois. In deze bundel beschouwt een aantal van Frankrijks meest prominente historici (onder wie Jacques Le Goff en Jean-Christian Petitfils) het overlijden van illustere vorsten als Lodewijk IX de Heilige, Hendrik IV, Lodewijk XIV en Napoleon.

Drama

De auteurs beschrijven zowel de dood van de mens, als dat van het staatshoofd. Het overlijden van een koning van Frankrijk was niet alleen een persoonlijk drama. Zeker naarmate de Franse vorst steeds meer een absoluut heerser werd, was zijn verscheiden ook – en misschien wel vooral – een politieke gebeurtenis.

Rondom elke koning opereerden facties, al dan niet aangevoerd door maîtresses, die zich moesten bekommeren om hun positie als het moment van de machtswisseling daar was. De nieuwe vorst had vaak zijn eigen intimi op wie hij vertrouwde. Met de uitroep van ‘Le roi est mort, vive le roi’, veranderde het leven van veel mensen. Vooral als de troopvolger nog niet meerderjarig was, leidde dit tot een onverkwikkelijke machtsstrijd rondom het sterfbed.

Naast de konkelende hovelingen, wordt in bijna alle hoofdstukken van deze lezenswaardige bundel een negatieve hoofdrol vervuld door de lijfartsen van de koning. Voor bijna elk ziektebeeld kennen ze maar twee remedies: aderlaten en purgeren.

Tragisch is het lot van Hendrik II. Tijdens een toernooi op 30 juni 1559 perforeert een stootlans zijn helm. Zijn hoofd krijgt een enorme klap en zijn gezicht en hals zitten onder de splinters. De artsen verzuimen al het hout te verwijderen, maar ze purgeren de vorst wel met een drankje van rabarber en petroleum. Hendrik braakt zich helemaal leeg; beter wordt hij er niet van.

Na enkele dagen arriveert een geneesheer uit Brussel in Parijs, waar Hendrik inmiddels regelmatig het bewustzijn verliest en ijlt. De man geldt als dé expert in Europa op het gebied van hoofdletsel. Hij stelt zijn diagnose: de koning lijdt aan de gevolgen van de klap op zijn hoofd.

Er moet een schedelboring worden gedaan om de druk op zijn hersens te verlichten. De artsen van Hendrik schrikken hiervoor terug en besluiten uiteindelijk tot nog maar een aderlating, een extra forse. Het mag niet baten. De koning sterft op 10 juli 1559. Autopsie wijst uit dat de Brusselse geneesheer gelijk had: in het hoofd van de patiënt bevindt zich een grote vochtophoping.

God

Dat Hendrik II ijlend zijn maker tegemoet ging, is een uitzondering als we de verslagen van ooggetuigen mogen geloven. De meeste Franse vorsten handelden op hun sterfbed nog staatszaken af, verzoenden zich met vijanden en god en instrueerden hun troonopvolger. Daarna sloten ze vredig de ogen. Savoir-mourir, dat werd kennelijk van een vorst verwacht.

In zijn inleiding zet Patrice Gueniffey vraagtekens bij dit voorbeeldig sterven. Ging er nooit eens een koning schreeuwend van angst en wild om zich heen slaand zijn einde tegemoet? Vast wel. Maar Gueniffey constateert ook dat goed sterven hoorde bij de taken van een vorst. En zeker van een vorst die zich bekommerde om zijn postume reputatie. Finis coronat opus, aldus Gueniffey. Een goed einde zette de kroon op het werk van een koning.