De Dordtse superwobber en het Bacardi-mixend sultanaat

Mag de gemeente Dordrecht Mustafa Karasahin laten gijzelen? In de rechtszaal weerspreekt hij dat niet.

Nul keer kijkt Mustafa Karasahin naar rechts. Zijn blik is gericht op de leegte voor hem, in deze rechtszaal. Maar rechts is waar het gebeurt. Daarvandaan komen de woorden van de advocaat van de gemeente Dordrecht. Terwijl ze spreekt, beheerst en zonder effectbejag, knippert Karasahin veel met zijn ogen en draait hij voortdurend met twee handen aan zijn blauwe Bic-pen.

Dit is wat hij hoort:

Dat hij, pandjesbaas in Dordrecht, dit jaar 444 bezwaarschriften bij de gemeente heeft ingediend, 219 WOB-verzoeken en 106 ingebrekestellingen. Bij de rechtbank heeft hij 121 keer beroep ingesteld. In 2013 maakte hij 500 keer bezwaar tegen verdagingsbrieven. Alleen om Dordrecht dwars te zitten en op kosten te jagen, uit wrok over beslaglegging op zijn panden. Hij treedt ook op als gemachtigde van zes andere Dordtenaren, hun aanvragen komen binnen op zijn briefpapier. De gemeente heeft die zes overigens nooit gezien of gesproken – misschien weten zij niet eens wat hij in hun naam uitvoert. De gemeente ontvangt soms drie keer hetzelfde WOB-verzoek: de eerste komt van hem, voor de tweede is hij de gemachtigde, bij de derde is een bekende van hem de afzender. In één van zijn WOB-verzoeken informeerde hij naar het aantal straatklinkers in de Toulonselaan.

Hij heeft een schuld van acht ton bij de gemeente, een optelsom van niet-geïnde dwangsommen en achterstallige belastingen. Vier à vijf medewerkers zijn dagelijks bezig met het verwerken van zijn post. Die manuren kosten vijf ton op jaarbasis. De gemeente moet zijn aanvragen volgens het bestuursrecht nu eenmaal beantwoorden. Dordrecht probeert verhaal te halen bij de bestuursrechter, maar die beoordeelt alleen per zaak – dus per WOB-verzoek, per bezwaarschrift – of er sprake is van misbruik. Ook zijn optreden als gemachtigde kan niet worden verboden.

Van de civiele rechter mag hij sinds vorig jaar nog maar tien brieven per maand sturen, maar hij is er zelfs méér gaan sturen dan voorheen. Dwangsommen betaalt hij niet. Pogingen tot conflictbemiddeling – door zijn bank, een makelaar, een raadslid, het Haagse gerechtshof – zijn alle mislukt. De maat is nu echt vol, en dus eist Dordrecht dat hij nog maar twee brieven mag sturen in plaats van tien. En voor elke brief die hij te veel stuurt, moet hij een dag de cel in. Gijzeling. Het klinkt ridicuul maar dat is het niet. Het Amsterdamse hof veroordeelde een vrouw er in april 2014 nog toe, omdat zij ondanks dwangsommen maar niet ophield met het online publiceren van beschuldigingen aan het adres van een politiemedewerker.

Rechts van hem wordt het stil. Nu is de beurt aan Karasahin zelf – een advocaat heeft hij niet. Hij verheft zijn stem, en op sneltreinvaart volgt een betoog waarin woorden vallen als het sultanaat van Dordrecht, David en Goliath, Bacardi-cola, Bacardi-jus, Abu Ghraib en Guantánamo Bay. Zijn boodschap: Dordrecht wil zich ontworstelen aan de Algemene wet bestuursrecht en zelfs aan het petitierecht uit de Grondwet – iedereen heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen. Dordrecht wil blijkbaar eigen regels en is dus een sultanaat. Hij is David, zij Goliath. Ze mixen het bestuursrecht en civiele recht door elkaar als Bacardi-jus en Bacardi-cola. Dan willen ze hem zeker ook opsluiten in Abu Ghraib of Guantánamo Bay?

De rechter vraagt Karasahin of hij het eens is met de feiten zoals de advocaat van de gemeente ze oplas. Nee, antwoordt hij. Maar u weerspreekt ze niet, zegt de rechter. Dat hoeft toch ook niet, zegt Karasahin. Maar u verdedigt uzelf, zegt de rechter. Karasahin belandt in een nieuw betoog, zijn stem begint schor te klinken. De rechter vraagt hem wat hij eigenlijk wil bereiken. Niks, zegt hij, want hij heeft het al bereikt: hij zit hier, met Dordrecht, opnieuw in een rechtszaal. Bovendien: Dordrecht moet in de spiegel kijken, want hij doet dat ook. De rechter zou hem nu allerlei vervolgvragen kunnen stellen, maar hij stelt ze niet. „Ik zal uitspraak doen binnen twee weken.”