De ander, die zit fout

De alledaagse moraal draait om het ophemelen van onszelf en het roddelen over anderen. Dat stelt sociaal-psycholoog Mark Brandt vast in zijn onderzoek naar de moraal van de straat.

Sociaal-psycholoog Mark Brandt onderzoekt het alledaagse morele leven van mensen. „Ik hoop dat mijn collega’s ook eens de straat opgaan.” Foto ROBIN UTRECHT

Studenten en onderzoekers van de Universiteit van Tilburg stromen uit de gebouwen naar buiten, op weg naar hun huis, hun geliefde, naar een café of een sportclub, aan het einde van deze doordeweekse werkdag. En daar, op straat, ligt het nieuwe onderzoeksveld dat de Amerikaanse sociaal-psycholoog Mark Brandt met zijn collega’s aanboorde: de moraliteit in het dagelijks leven.

Brandt zelf zit nog in een kamer in een van de universiteitsgebouwen, weggestopt in een labyrint van onlogisch ingedeelde gangen en kamertjes. Met zijn sluike bruine haar, zwarte strenge brilmontuur en hippe gympen ziet hij er eerder uit als een computerwetenschapper dan als een sociaal psycholoog. Hij is dan ook een moderne, die voor zijn onderzoek smartphones, webapplicaties, Facebook, Twitter en crowdsourcing gebruikt. Vers gepromoveerd kwam hij in 2012 met zijn vrouw en destijds tweejarig zoontje uit Chicago naar Tilburg. De jonge onderzoeker werkt hard. De afgelopen vijf jaren produceerde hij nog 27 andere artikelen waarvan hij er 18 zelf schreef, en er zijn er nog drie onderweg.

Onderzoek naar de menselijke moraal gebeurde tot nu toe meestal in kamers in universiteiten. Of in laboratoria met een hersenscanner. Proefpersonen krijgen bij zulke experimenten een vragenlijst voorgelegd, of fictieve morele dilemma’s. Daarin zal bijvoorbeeld een voortrazende trein ofwel vijf mensen overrijden die op de rails vastgebonden liggen, ofwel één persoon die op een zijspoor ligt. De ene keer is die persoon de slechterik die de anderen heeft vastgebonden, een andere keer een goede vriend. De proefpersoon staat met zijn hand aan de fictieve hendel die de wissel bedient, en mag de keuze maken.

Zulke helse dilemma’s komen in het dagelijks leven van normale mensen niet vaak voor. Maar welke morele kwesties dan wel, en hoe vaak, vroegen Brandt, Wilhelm Hofmann en hun collega’s zich af. Ze verzonnen een manier om mensen in hun dagelijkse leven te ondervragen.

Via Facebook, Twitter, verschillende blogs en fora en advertenties in lokale kranten vonden ze 1252 mensen uit alle lagen van de Amerikaanse en Canadese bevolking die mee wilden doen. Vijf keer per dag kregen die mensen een sms, en moesten ze op een website aangeven of ze het afgelopen uur iets moreels of juist immoreels hadden meegemaakt. „Dat kon iets zijn dat ze zelf gedaan hadden of dat hun was aangedaan, iets waar ze getuige van waren, of iets dat ze gehoord of gelezen hadden”, vertelt Brandt. „Dat deden ze drie dagen lang. Ze konden er loten mee winnen, waarmee ze kans maakten op een boekenbon of de hoofdprijs: een iPad.” Het leverde de onderzoekers een berg van 13.240 verslagen op waar ze hun statistiek op los konden laten. Vandaag publiceerden ze hun onderzoek in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

Op porno betrapt

Wat mensen rapporteerden kon van alles zijn. Bijvoorbeeld dat ze op het nieuws hadden gehoord over de ontvoering van schoolmeisjes door Boko Haram in Nigeria. Of dat ze een buitenechtelijke ontmoeting hadden geregeld voor een vriend. Iemand liet weten dat hij iemand een muskusrat had laten doden terwijl het dier eigenlijk niemand kwaad deed. En een moeder betrapte haar tienerzoon tijdens het kijken naar harde porno. „Het is fascinerend en ongemakkelijk tegelijkertijd om die beschrijvingen te lezen”, geeft Brandt toe. „Het voelt een beetje immoreel, alsof je iemands dagboek leest.”

Het alledaagse morele leven draait vooral om hoe goed we zelf zijn, en roddelen over de slechte daden van anderen, lijkt het. De deelnemers zelf gaven daklozen een boterham, hielpen toeristen, kozen voor hun gezin in plaats van stappen met vrienden. Immorele zaken zagen ze vooral bij anderen. Een moeder die in de auto rookte waar haar kleine kind bij was bijvoorbeeld. Een bekend fenomeen, zegt Brandt. „Mensen voelen zichzelf altijd beter dan de rest. Ze liegen niet bewust, maar als ze moeten vertellen wat ze het laatste uur hebben gedaan, en ze zijn eerst uitgevallen tegen hun partner, en hebben daarna een oude buurvrouw met de boodschappen drie trappen op geholpen, dan schrijven ze waarschijnlijk dat laatste op.”

Als student deed Brandt onderzoek naar stereotypering en vooroordelen. Zo belandde hij vanzelf in moraliteit. „Als je het met iemand oneens bent over een morele kwestie, ben je eerder geneigd om diegene te discrimineren”, legt hij uit. Hij was in het huidige Science-onderzoek vooral benieuwd naar de alledaagse moraal van mensen met verschillende politieke voorkeuren. Eerder had hij al laten zien dat zowel conservatieve als progressieve mensen vooroordelen hebben, en de neiging om de andere groep te discrimineren. „Andere onderzoeken laat zien dat er grote verschillen zijn tussen de morele waarden van conservatieven en liberalen”, zegt hij. „Maar in het onderzoek naar alledaagse moraliteit vonden we slechts kleine verschillen.”

Ook gelovigen en niet-gelovigen bleken niet te verschillen in hoe vaak ze een goede of slechte daad verrichtten. Godvruchtige mensen hoorden wel minder vaak van immorele gebeurtenissen. Misschien komen die zulke berichten gewoon minder vaak tegen doordat ze andere media volgen, of andere gesprekken voeren, denkt Brandt. „Die kleine morele verschillen geven mensen misschien iets om over na te denken voor ze gaan discussiëren met iemand die een ander politiek of religieus standpunt heeft”, zegt hij. „Vaak zitten mensen meer op een lijn dan ze denken.”

Morele besmetting

Op straat vonden de onderzoekers ook twee andere bekende fenomenen uit het moraalonderzoek terug. Het eerste is morele besmetting. Mensen voor wie een goede daad was verricht, deden later op de dag zelf vaak ook iets goeds. Het tweede effect is de morele vrijbrief. Mensen die eerder op de dag iets goeds hadden gedaan, waren later op de dag geneigd om iets slechts te doen. Alsof ze daar een vergunning voor hadden gekregen omdat ze eerder die dag al zo goed waren geweest.

Brandt en zijn collega’s kunnen voorlopig nog wel even vooruit met de enorme berg gegevens die ze hebben verzameld. Hij hoopt dat collega-onderzoekers nu ook eens de straat op gaan. Sociaal-psychologisch onderzoek haalt Science bijna nooit. Zijn moeder, net als zijn vader leraar, grapte dat zijn publicatie het startpunt zou zijn van een neerwaartse spiraal. „Omdat ik haar over deze geweldige gebeurtenis vertelde, zou zij waarschijnlijk later op de dag zelf ook iets goeds doen, en daarna dan iets immoreels. Dat is de paradox in deze data.”

De lichten in zijn kamer floepen automatisch aan als het begint te schemeren. Het gebouw is bijna leeg. Brandt maakt nog even iets af voor hij naar vrouw en kind gaat. Of er een fles champagne openging toen Science het artikel accepteerde? „Nee, ik heb nog nooit een fles champagne gedronken. Maar inderdaad, misschien is het daar nu wel eens tijd voor.”