Alles komt aan op stijl een visie heeft iedereen

Soms zeg je het zelf ook: „Nu ja, je begrijpt toch wel wat ik bedoel”. Zo’n excuuszinnetje voor je gebrek aan precieze formulering. En dan doe je even of formulering er eigenlijk niet toe doet. Dat is natuurlijk niet waar. Iedereen weet dat alleen al woorden de wereld er heel anders kunnen laten uitzien. De voorbeelden zijn bekend genoeg: noem je iemand een ‘terrorist’, een ‘opstandeling’ of een ‘vrijheidsstrijder’? Is iemand een ‘fundamentalist’, een ‘godsdienstfanaat’ of ‘een diepgelovig man’?

Een vriend zat Darwin te lezen, The Descent of Man, en zodoende raakten we in gesprek over termen als ‘ras’, ‘soort’ en ‘populatie’ en dat de wereld er heel anders uitgezien zou hebben als we altijd alleen maar over populaties hadden gesproken.

Maar hoe anders? Je kunt de woorden wel veranderen in politiek correcte uitdrukkingen, maar dat is niet genoeg. Het gaat om meer dan woorden, het gaat om een manier van spreken of schrijven die de andere woorden vanzelfsprekend laat klinken. Als Amerikanen over ‘physically challenged’ spreken in plaats van over gehandicapt, horen wij toch voornamelijk een enigszins halfzachte poging om de wereld anders voor te stellen dan hij is.

In het onlangs in deze krant gepubliceerde dubbelinterview met Kim van Kooten en de schrijver Philip Huff, zei de laatste dat schrijvers eigenlijk een ‘wereldbeeld’ uitdragen. Stijl is daaraan ondergeschikt vond hij: „Hemingway vertelt zijn verhalen in heel korte zinnen en Virginia Woolf in heel lange zinnen, maar het gaat vooral over een kijk op de werkelijkheid die ze willen overbrengen.”

Hm. Voor een schrijver een wonderlijk uitgangspunt. Neem een zin van Virginia Woolf zoals deze over de liefde voor het leven: „Wat zijn we toch dwaas, dacht ze, terwijl ze Victoria Straat overstak. Want de hemel mag weten waarom je er zo veel van houdt, hoe je het zo ziet, zo maakt, het om je heen opbouwt, het laat instorten, het ieder ogenblik opnieuw creëert” enz. Zou Huff vinden dat die net zo goed vervangen zouden kunnen worden door zoiets als: „Iedereen houdt van het leven. Gek genoeg” en dat dat dan precies dezelfde ‘kijk op de werkelijkheid’ uit zou drukken?

Alsof stijl slechts een kwestie is van kort of lang, ingewikkeld en of eenvoudig, maar verder op geen enkele manier van invloed op wat men ‘eigenlijk’ wil zeggen.

Maar er is niet een of andere waarheid die je alleen maar naar voren hoeft te brengen in willekeurig welke woordkeus. Hemingway zou Hemingway niet zijn als hij in lange meanderende zinnen vol psychologismen had geschreven. Hij is die ‘echte man’ dankzij zijn betrekkelijk droge, quasi objectieve en stellige stijl. En dan praten we nog niet eens over de opbouw van een verhaal.

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, dat zegt dat de meting de uitkomst van het gemetene beïnvloedt, geldt niet alleen voor subatomaire deeltjes. Elke meting, elke waarneming, verandert iets aan de ‘feiten’. Bij elke nieuwe weergave, in taal of in beeld, wordt de zogenaamde werkelijkheid ook anders.

De kijk op de wereld van een grote schrijver zit juist vooral in zijn stijl, niet in zijn daaruit weer te destilleren (politieke) visie. Visies ach. Die hebben we allemaal wel. Wie we zijn en wat we van onszelf kunnen meedelen, bestaat voor een groot deel uit taal, uit woorden. En die woorden schieten dan weer tekort, uiteraard, waardoor we steeds weer nieuwe moeten zoeken.

,,woorden als wereld als tijd voor/ onze vluchtige plek van de waarheid/ schrijven zich weg, schrijven ons weg’’ schreef Rutger Kopland. Voor schrijvers een opwindende gedachte. Alles komt aan op de stijl.