150 uitzonderlijke vintage prints

De New Yorkse fotohandelaar Howard Greenberg bouwde in dertig jaar een bijzondere collectie op van foto’s die hem raakten. Een deel is nu in Amsterdam te zien.

Migrant Mother, Nipomo, California, 1936. Greenberg: „Dorothea Lange werkte in de jaren dertig in opdracht van de overheid voor de Farm Security Administration en fotografeerde de armoede in de VS. Afdrukken van de FSA werden breed verspreid. Vele zijn bewaard gebleven. Deze afdruk is bijzonder omdat Lange aantekeningen op de achterkant van de print heeft gemaakt.” Foto Dorothea Lange. Courtesy Howard Greenberg Collection

Hoe zou de ideale expositie van de fotocollectie van Howard Greenberg eruit moeten zien? Sam Stourdzé, directeur van het Musée de l’Élysée in Lausanne, weet het wel. „Eén foto per dag. Zodat je écht goed kunt kijken.”

Toen Stourdzé – deze week aanwezig bij de opening in het Joods Historisch Museum (JHM) van de tentoonstelling Masterpieces from the Howard Greenberg Collection – drie jaar geleden voor het eerst een blik wierp op de privécollectie de New Yorkse fotohandelaar Greenberg, viel zijn mond open. „Bij hem thuis hingen unieke afdrukken van Henri Cartier-Bresson, Lewis Hine en Dorothea Lange aan de muur. Hij had ook topstukken van minder bekende fotografen zoals Consuelo Kanaga of John Vanderpant.”

Stourdzé vroeg Greenberg – eigenaar van één van de meest prestigieuze fotogaleries in Manhattan – of hij een deel van de collectie mocht exposeren. Greenberg stemde in en Stourdzé selecteerde zo’n 150 beelden voor de tentoonstelling die nu – via Lausanne, Parijs en Boedapest – in Amsterdam is te zien.

Het samenstellen van de tentoonstelling was volgens Stourdzé ‘een onmogelijke taak’. „De collectie omvat 500 foto’s: stuk voor stuk oorspronkelijke afdrukken (vintage prints) met een bijzondere geschiedenis. Bovendien vertelt de collectie Howards levensverhaal, dus hoe daar een lijn in te brengen?”

Dat levensverhaal begon toen Greenberg zich, als beginnend fotograaf, in de jaren 70 vestigde in Woodstock, de bekende kunstenaarskolonie ten noorden van New York. „Daar ontdekte ik het werk van kunstenaars als Dorris Lee en Eva Watson-Schütze”, vertelt Greenberg terwijl hij door de tentoonstellingszaal van het JHM wandelt. „Door hun werk werd ik steeds enthousiaster. Ik heb mijn camera in de wilgen gehangen en ben alles over fotografie gaan lezen. Zo heb ik mijzelf opgeleid.”

Greenberg begon tentoonstellingen te organiseren en zette in 1977 het Center for Photography op. In 1982 opende hij in Woodstock zijn eerste galerie Photofind. In die periode kocht hij ook zijn eerste foto: een straatbeeld van de Amerikaanse fotograaf Karl Struss uit 1910. „Een geweldige foto. Ik bood de afdruk aan in mijn galerie, maar niemand was geïnteresseerd. Toen heb ik de print zelf aangeschaft.”

Die aankoop vormde het begin van een unieke collectie die Greenberg in de afgelopen dertig jaar heeft opgebouwd. In zijn huidige verzameling zitten Tsjechische modernisten (Jan Lauschmann, Josef Sudek), naoorloogse fotografen uit ‘The New York School’ (Helen Levitt, Saul Leiter) en beroemde fotografen van de Farm Security Administration, waaronder Walker Evans en Dorothea Lange, die in opdracht van de regering-Roosevelt de crisis op het platteland in de jaren dertig vastlegden. Stuk voor stuk foto’s van grote namen uit de geschiedenis die hij, door zijn goede contacten met fotografen en hun nabestaanden, op de kop wist te tikken. „Als handelaar heb ik altijd toegang gehad tot geweldige fotografie”, bevestigt Greenberg. Hij wijst op een foto uit 1933 van een jonge vrouw, rennend aan het strand bij Long Island, van de Hongaarse fotograaf Martin Munkácsi. „Zijn dochter Joan werkte bij mij in de galerie. Zij vroeg of ik deze afdruk wilde verkopen.” Dat deed Greenberg, met pijn in het hart. „Ik was meteen verliefd op die foto. Bovendien heeft die een belangrijke historische waarde: Munkácsi maakte de opname in 1933 voor modeblad Harper’s Bazaar – het was de eerste keer dat een model uit de studio werd gehaald. Daarmee heeft hij de modefotografie voorgoed veranderd.”

Na de verkoop moest Greenberg jaren wachten voordat de foto weer op de markt kwam. „Toen wilde Joan de foto terug. Pas na haar overlijden heb ik hem gekocht van haar echtgenoot. Als je zoiets, na twintig jaar, in handen krijgt, heeft het een grote emotionele waarde.”

Greenberg is een van de weinige galeriehouders die nog veel handelt in vintage prints. Een deel van de markt dat, zeker sinds de komst van de digitale fotografie, steeds exclusiever wordt. Hoeveel zijn collectie inmiddels waard is, wil Greenberg niet zeggen, maar op de expositie hangen foto’s in waarde variërend van 3.500 tot 770.000 euro. „Wat telt is kwaliteit van een afdruk en of deze door de fotograaf zelf is gemaakt. Maar ook een ordinaire persfoto kan waardevol zijn, alleen al omdat de achterzijde vol zit met stempels van de bladen waarvoor zo’n foto werd gedrukt. Daarmee wordt het een belangrijk historisch document.”

Dat laatste gaat op voor de unieke afdruk van een van de foto’s die Robert Capa maakte tijdens D-Day in Normandië (zie foto boven). En het piepkleine ‘Chez Mondrian’, een foto op postcard-formaat gemaakt door Kertész in 1926 in het appartement van Mondriaan in Parijs, blijkt inmiddels een kleine miljoen dollar waard te zijn. Toch zegt Greenberg nooit een afdruk te hebben gekocht vanwege de waarde. „Een foto moet mij raken. Daar zijn mijn keuzes op gebaseerd.”

Maar bewaart hij als handelaar niet uiteindelijk alle fotografische ‘snoepjes’ voor zichzelf? „Die vraag hoor ik vaak”, grinnikt hij. „Was het maar zo. Je moet eens weten hoeveel geweldige foto’s ik heb verkocht vanwege verplichtingen aan een klant of omdat ik zelf geen geld had. Het doet me pijn als ik eraan denk.”