Wél grote interesse in kunst

Schouwburgdirecteur Melle Daamen schreef twee kritische stukken (in het CS van 21 en 28 augustus) over het kunstklimaat en -beleid in Nederland. De kunstsector moet zelf scherper kiezen, vindt hij. Hieronder enkele, deels bekorte, reacties van lezers op Daamens aanzetten tot debat.

Daamens feiten kloppen niet

De feiten waarop het artikel van Melle Daamen over de obstakels voor een cultuurdebat is gebaseerd (CS 21/8), zijn de feiten niet.

Het is niet waar dat slechts 28 procent van de Nederlandse bevolking geïnteresseerd is in kunst en cultuur. Dat cijfer komt uit een krantenonderzoek waarin gevraagd werd of men ‘geïnteresseerd is daar in de krant over te lezen’. Dat zijn twee verschillende dingen. Wie geïnteresseerd is in cultuur gaat naar musea, concerten, theater, festival, leest boeken en luistert naar muziek. En dat zijn heel andere getallen.

60 procent van de bevolking bezoekt gemiddeld 3 keer per jaar een voorstelling of concert. 60 procent gaat ten minste 3,5 keer per jaar naar een film. 60 procent bezoekt ten minste 3 keer per jaar een museum. 80 procent bezoekt ten minste eens per jaar een monument. 80 procent leest literatuur en 25 procent doet dat in een bibliotheek. Nog eens 47 procent van de bevolking is zelf actief als fotograaf, danser, muzikant of zanger in een koor. Al met al is ten minste 90 procent van de bevolking actief als bezoeker of beoefenaar en dan hebben we al diegenen die muziek luisteren op cd, iPad, mp3 nog niet eens meegeteld.

Het bezoek aan podiumkunsten is in Nederland groter dan in bijna alle Europese landen (met uitzondering van de Scandinavische landen en Oostenrijk), zoals blijkt uit de Eurostat Cultural Statistics. De top-5 musea in Nederland staan samen op de vierde plaats in Europa. Kortom, mensen zijn gek op kunst, maken kunst, bezoeken het, richten er hun vakanties op in en kiezen er hun partners op uit (‘hobby’s: theaterbezoek, festivals, lezen...’) en geven er veel geld aan uit. Wat in Nederland achterblijft, is de aankoop van beeldende kunst. Dat doen ze in België meer dan hier. En dat feit brengt Daamen onder het kopje ‘de feiten’ alsof daar alle kunst mee beschreven zou zijn. Dat is niet waar.

Het is ook niet waar dat de kunst zich politiek in de luwte bevindt. De rijksoverheid heeft in 2012 stevig bezuinigd, maar ook na de bezuinigingen behoort Nederland nog tot de top-10 van landen met de hoogste overheidsbijdrage per hoofd van de bevolking (Nesbit/OESO). En dat komt vooral omdat het Rijk maar een van de overheidsfinanciers van kunst is. Gemeenten geven bijna twee keer zoveel uit aan kunst als het Rijk en zij zijn zich er ten zeerste van bewust dat een bloeiend kunstaanbod mensen en bedrijvigheid trekt omdat mensen willen wonen waar – juist cultureel – iets te doen is. De vier grote steden hebben de bezuinigingen van het Rijk zelfs grotendeels ongedaan gemaakt. En in gemeenten trekken ze zich niks aan van Thorbecke (gelukkig), daar wordt frank en vrij over de betekenis van het theater of het museum voor de eigen bevolking gesproken. Vernieuwing is daar helemaal geen item.

Het is helemaal niet waar dat wij niet trots zijn op onze kunstenaars. Het zou flauw zijn te wijzen op alleen het Rijksmuseum en Van Gogh, maar je kunt er toch echt niet aan voorbij dat dit instellingen zijn waarop de meeste Nederlanders stuiterend trots zijn. Ook onze dj’s als Tiësto en Armin van Buuren, we staan ervoor in de rij. Het Concertgebouworkest wordt internationaal geroemd als ‘beste orkest ter wereld’. Er worden heel wat meer handtekeningen gevraagd van onze kunstenaars op de rode loper dan van onze premier of ministers. Onze sterschrijvers kunnen hun dag vullen met het knippen van lintjes of het houden van voordrachten. Wij geven 4,5 procent van ons inkomen uit aan kunst en cultuur en staan daarmee Europees opnieuw op de vijfde plaats.

Cultuureducatie ontbreekt

Melle Daamen heeft een aantal goede punten. Wat ontbreekt is de cultuureducatie. Als er op de scholen niet voldoende aandacht aan cultuur wordt besteed, dan is elke discussie over cultuur trekken aan een dood paard. Cultuureducatie moet jonge mensen de kans geven een mening te geven over hoe cultuur gebracht kan worden. En dat klassieke muziek op een dood spoor zou staan, heeft er vooral mee te maken dat er in de cultuureducatie geen aandacht is voor klassieke muziek. Het opnieuw leren luisteren naar klassieke muziek door kinderen en jongeren, misschien in meer handzame vormen dan het bijwonen van een concert, zou toch kinderen op een spoor van andere muziek kunnen brengen dan alleen dat wat ze dagelijks via allerlei media tot zich krijgen.

G. Hofman, Utrecht

Marktwerking fnuikt kwaliteit hoge kunst

Daamen onderkent het probleem van het op ondernemerschap gerichte kunstbeleid, maar is niet in staat zichzelf hieruit te bevrijden. Ook in zijn artikel van 7/8 december 2013 volgde op zijn advies meer aandacht te geven aan publieksbinding, educatie en diepgang even later het advies de subsidies van aanbod naar vraag te verschuiven. Als in de huidige amusementscultuur tegemoetgekomen wordt aan de vraag maakt kwaliteit weinig kans.

Kijken we naar de klassieke muziek dan valt op dat managers allerlei voorstellen doen hoe met meer marktgerichtheid concertzalen voller te krijgen zijn. Er moet aansluiting gezocht worden bij het grote publiek, orkesten moeten andere genres spelen, het grote publiek moet geraakt worden, na de concerten moet geborreld worden. Klassieke muziek moet uitgevent worden als ‘arrangement’ met drankjes en hapjes, in een ‘lossere’ setting en als ‘evenement’ met spektakel op het podium. Te weinig wordt gesteld dat de oorzaak van de half lege concertzalen ligt bij het op entertainment ingestelde publiek en de overheid die haar kunsteducatieve taak verwaarloost. Kritiekloos wordt geaccepteerd dat de markt regeert en daarmee de bestaande smaak van het grote publiek.

Politici, managers en kunstenaars doen er goed aan niet hun enige heil te zoeken in het aanpassen van de kunst aan de bestaande consumptiebehoefte en vraag naar entertainment. In een samenleving die geestelijke waarden hooghoudt, mag marktwerking niet het criterium zijn dat bepaalt welke kunst wel of niet geproduceerd mag worden.

Dr. Henk Smeijsters, publicist en emeritus lector vaktherapie van Zuyd Hogeschool

Kunstonderwijs is de sleutel

Om het debat over kunstbeleid fris en frank te voeren, zoals Daamen voorstelt, is het nodig niet alleen naar de gevestigde orde te kijken, maar ook te kijken naar de toekomst. En die toekomst is in handen van jonge kunstenaars en het kunstonderwijs, de kraamkamer. Het naoorlogse kunstonderwijs richtte zich uitsluitend op de individuele beeldende ontplooiing van de student in een strikte maatschappelijke afzondering. Dat beeld leeft nog bij velen en ook zelfs nog bij een enkele kunstacademie.

Maar op een aantal plaatsen worden vernieuwingen ingezet. [...] Melle Daamen heeft gelijk, de veranderingen vragen om nieuwe platforms maar ook om andere kunstcritici, beleidsmakers met een andere kijk op de betekenis van kunst. „De toekomst staat niet vast, we hebben er invloed op”, zo eindigt Melle Daamen zijn essay. Neem de moeite om je te verdiepen in jonge kunstenaars. De vernieuwing is al begonnen in het kunstonderwijs. Onze grootste kans op invloed hebben we via het onderwijs. Daar is de toekomst en daar gloort wel degelijk licht.

Marie van Leeuwen, Hoofd ba Fine Art Arnhem, ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten